Rechtspraak
Raad van State
2025-06-25
ECLI:NL:RVS:2025:2817
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
477 tokens
Inleiding
202502955/1/V1.
Datum uitspraak: 25 juni 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant 1] en [appellant 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 april 2025 in zaak nr. NL24.25974 in het geding tussen:
appellant 1
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
Bij besluit van 10 oktober 2023 heeft de minister een aanvraag om appellant 1 een visum voor kort verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 8 juli 2024 heeft de minister het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant 1 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. H.H.R. Bruggeman, advocaat in Leiderdorp, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De uitspraak van de rechtbank gaat over een visum voor een verblijf van 90 dagen of minder. Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder b, van de Vw 2000).
1.1. Wat appellanten in hoger beroep aanvoeren, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dat doet zich hier niet voor.
2. De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2025
1028