Rechtspraak
Raad van State
2025-06-20
ECLI:NL:RVS:2025:2763
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
735 tokens
Inleiding
202404858/1/V2.
Datum uitspraak: 20 juni 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 28 mei 2024, en haar einduitspraak van 5 juli 2024 in zaak nr. NL22.11089 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 18 mei 2022, aangevuld bij besluit van 8 november 2022, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij tussenuitspraak van 28 mei 2024 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om schriftelijk een aanvullend standpunt in te nemen.
Bij brief van 31 mei 2024 heeft de staatssecretaris op de tussenuitspraak gereageerd.
Bij uitspraak van 5 juli 2024 heeft de rechtbank het door betrokkene ingestelde beroep tegen het besluit van 18 mei 2022, aangevuld bij besluit van 8 november 2022, gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraken heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. I. Wudka, advocaat in Maastricht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. De rechtbank heeft namelijk een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek geconstateerd. De minister komt daartegen in hoger beroep op terwijl dat gebrek zich (los van de vraag wat de uitkomst van de nieuwe besluitvorming moet zijn) eenvoudig laat herstellen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraken van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraken;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2025
363-1113