Rechtspraak
Raad van State
2025-06-13
ECLI:NL:RVS:2025:2682
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
691 tokens
Inleiding
202503119/2/V2.
Datum uitspraak: 13 juni 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker 1] en [verzoeker 2], mede voor hun minderjarige kinderen
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 27 mei 2025 in zaken nrs. NL24.19513 en NL24.19514 in het geding tussen:
verzoekers
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 1 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij aanvullende besluiten van 20 november 2024 heeft de minister de besluiten van 1 mei 2024 nader gemotiveerd.
Bij uitspraak van 27 mei 2025 heeft de rechtbank het door verzoeker 1 ingestelde beroep tegen de besluiten van 1 mei 2024 en 20 november 2024 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt op de aanvraag van verzoeker 1 met inachtneming van de uitspraak, en het door verzoeker 2 ingestelde beroep tegen de besluiten van 1 mei 2024 en 20 november 2024 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben verzoekers hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat verzoeker 2 niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgt.
2. Het hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker 2 niet wordt uitgezet, totdat op het door verzoekers ingestelde hoger beroep is beslist;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier.
w.g. Borman
voorzieningenrechter
w.g. Salverda
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2025
992