Rechtspraak
Raad van State
2025-06-16
ECLI:NL:RVS:2025:2659
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
716 tokens
Inleiding
BRS.25.000614
ECLI:NL:RVS:2025:2659
Datum uitspraak: 16 juni 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 15 april 2025 in zaak nr. NL23.37325 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 10 oktober 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, en haar opgedragen om Nederland en de Europese Unie binnen vier weken te verlaten.
Bij besluit van 23 november 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en haar krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek verleend van 12 oktober 2023 tot 12 april 2024.
Bij uitspraak van 15 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, vastgesteld dat er sprake is van beschermenswaardig familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen betrokkene en haar kinderen en bepaald dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak met inachtneming ervan een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. L.K. Matpanözer, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2. Gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Drop
voorzieningenrechter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2025
1028