Rechtspraak
Raad van State
2025-06-11
ECLI:NL:RVS:2025:2617
Bestuursrecht
Hoger beroep
3,485 tokens
Inleiding
202401787/1/A2.
Datum uitspraak: 11 juni 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 6 november 2023 in zaak nr. 22/3359 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Belastingdienst/Toeslagen (thans en hierna: Dienst Toeslagen).
Procesverloop
Bij besluit van 20 januari 2021 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellant] een compensatiebedrag van € 87.161,00 toegekend.
Bij besluit van 1 april 2022 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, en aan [appellant] een compensatiebedrag van in totaal € 91.239,00 toegekend.
Bij uitspraak van 6 november 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2025, waar de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over de door [appellant] gevraagde compensatie in het kader van de hersteloperatie toeslagen. Het gaat daarbij in het bijzonder om de vraag of de Dienst Toeslagen op de juiste wijze is omgegaan met een bedrag van € 40.774,00 dat [appellant], als gevolg van een schuldsaneringstraject niet heeft terugbetaald aan de Dienst Toeslagen.
2. Gedurende de looptijd van de hersteloperatie heeft de Dienst Toeslagen op basis van verschillende herstelregelingen compensatie toegekend. Met ingang van 5 november 2022 is de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) van kracht. Op grond van het overgangsrecht worden compensatiebeschikkingen die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn genomen vóór de inwerkingtreding van de Wht, aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens de Wht.
3. De compensatieregeling in de Wht is bedoeld voor gedupeerden van zowel institutionele vooringenomenheid als hardheid van het stelsel. De regeling biedt financiële compensatie voor een aantal componenten: teruggevorderde kinderopvangtoeslag, niet toegekende kinderopvangtoeslag of stopgezette voorschotverlening, opgelegde boetes, immateriële schade, proceskosten, invorderingskosten, rentenadeel en materiële schade. In de artikelen 2.2. en 2.3. van de Wht is opgenomen op welke wijze de hoogte van de compensatie voor deze componenten wordt vastgesteld. De berekening van compensatie op basis van deze componenten wordt ook wel integrale beoordeling genoemd.
Als de werkelijke schade als gevolg van institutionele vooringenomenheid of hardheid hoger is, kunnen gedupeerde ouders een aanvullende compensatie voor werkelijke schade aanvragen. Gedupeerde aanvragers dienen de werkelijke schade aannemelijk te maken, maar zij hoeven deze niet te bewijzen. De grondslag voor deze aanvullende compensatie voor werkelijke schade is artikel 2.1, derde lid, van de Wht. Deze compensatie wordt ook wel aangeduid als de beoordeling van de werkelijke schade of de beoordeling van schade via de Commissie Werkelijke Schade.
Het wettelijk kader is nader opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
4. [appellant] is een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. [appellant] heeft recht op compensatie over de toeslagjaren 2009 tot en met 2011. De Dienst Toeslagen heeft bij besluit 20 januari 2021 aan [appellant] een compensatiebedrag van € 87.161,00 toegekend. [appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Naar aanleiding daarvan heeft de Dienst Toeslagen bij besluit van 1 april 2022 het compensatiebedrag herzien, en dit bedrag verhoogd naar € 91.239,00.
5. [appellant] heeft in 2011 te maken gekregen met terugvorderingen van verleende kinderopvangtoeslag door de Dienst Toeslagen. De terugvorderingen hebben grote gevolgen voor hem en zijn gezin gehad. Zo kregen zij te maken met loonbeslag en konden zij de huur niet meer betalen, waarna ze uit huis zijn gezet en een half jaar geen woning hadden. Dit heeft ook op de kinderen veel impact gehad. [appellant] is van 2014 tot en met 2021 onder beschermingsbewind gesteld. Het gezin had bij aanvang van dit traject een totale schuld van € 97,163,63. Daarvan was de grootste vordering de vordering van de Dienst Toeslagen, die € 67.252,00 bedroeg. [appellant] heeft dit traject afgerond met een schone lei. [appellant] heeft destijds als gevolg van dit traject een bedrag van € 40.774,00 niet aan de Dienst Toeslagen terugbetaald. De Dienst Toeslagen heeft, bij de berekening van de compensatie in de onderhavige besluitvorming, dit bedrag aan teruggevorderde toeslagen dat [appellant] destijds niet heeft terugbetaald afgetrokken van het bedrag aan kinderopvangtoeslag dat [appellant] ten onrechte moest terugbetalen of niet heeft ontvangen. [appellant] is het daar niet mee eens.
Uitspraak van de rechtbank
6. De rechtbank heeft overwogen dat noch in de toelichting van de Wet hardheidsaanpassing Awir, het Besluit Compensatieregeling of de huidige Wht een aanwijzing te vinden is dat niet betaalde teruggevorderde bedragen na een traject op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen anders behandeld zouden moeten worden dan die van gedupeerden die niet een dergelijk traject hebben doorlopen. De rechtbank is van oordeel dat de Dienst Toeslagen het niet betaalde bedrag in mindering heeft mogen brengen. Dit is ook in overeenstemming met artikel 2.3, eerste lid, onder a, van de Wht. Als de Dienst Toeslagen dit bedrag niet in mindering zou brengen op het compensatiebedrag, zou [appellant] dit deel van de kinderopvangtoeslag dubbel ontvangen. Dat is niet de bedoeling van de herstelregeling. Het beroep van [appellant] op het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:377, slaagt niet. In het geval van [appellant] is er geen sprake van een verrekening van een schuld met een bedrag dat [appellant] tegoed heeft. Het bedrag van € 40.774,00 was in eerste instantie een schuld, maar deze is niet terugbetaald. [appellant] hoeft daarom voor dat bedrag niet gecompenseerd te worden, omdat hij in zoverre geen financieel nadeel heeft geleden. [appellant] had daarom ook geen vordering ter hoogte van dit bedrag.
Hoger beroep
7. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Dienst Toeslagen ten onrechte het bedrag van € 40.774,00 in mindering heeft gebracht op de compensatie die hij heeft ontvangen. Dit oordeel doet volgens [appellant] geen recht aan het leed dat hem is aangedaan en het feit dat hij een schone lei heeft gekregen. Dat [appellant] onder beschermingsbewind is gesteld, had voornamelijk te maken met de schuld van de Dienst Toeslagen, die achteraf bezien onterecht was. Door het beschermingstraject met goed gevolg af te ronden is de schuld aan de Dienst Toeslagen betaald. Het arrest van de Hoge Raad heeft de rechtbank volgens [appellant] niet juist toegepast.
7.1. Zoals hiervoor is overwogen, biedt de compensatieregeling in de Wht financiële compensatie voor een aantal componenten. In de artikelen 2.2. en 2.3 van de Wht is opgenomen op welke wijze de hoogte van de compensatie voor deze componenten wordt vastgesteld.
7.2. Eén van die componenten, opgenomen in artikel 2.2, aanhef en onder a, is een bedrag vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van kinderopvangtoeslag of het beëindigen van voorschotverlening voor kinderopvangtoeslag en de bij de terugvordering inbegrepen rente.
Artikel 2.3, eerste lid, van de Wht, waaruit de hoogte van deze component volgt, luidt:
"Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, is gelijk aan het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of is teruggevorderd, vermeerderd met het bedrag van de rente die is begrepen in een beschikking tot terugvordering en verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met:
a. een nog niet betaald bedrag van de terugvordering en van de rente; of
b. een alsnog toegekende kinderopvangtoeslag of een verhoging daarvan met betrekking tot het berekeningsjaar waarop de compensatie betrekking heeft."
7.3. De Dienst Toeslagen heeft, in lijn met artikel 2.3, eerste lid, van de Wht, het door [appellant] nog niet betaalde bedrag van terugvordering ter hoogte van € 40.774,00 in mindering gebracht op de component compensatie die [appellant] ontvangt voor kinderopvangtoeslag die hij ten onrechte niet heeft gekregen.
7.4. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen dit bedrag in mindering mocht brengen. In de memorie van toelichting van de Wht heeft de wetgever vermeld dat het compensatiebedrag wordt verminderd indien de kinderopvangtoeslag op een later moment, bijvoorbeeld na bezwaar, alsnog is toegekend of indien de gedupeerde ouder het teruggevorderde bedrag niet heeft betaald. (Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 14.) De Afdeling is van oordeel dat daarmee na een schuldsaneringstraject niet anders moet worden omgegaan. De rechtbank heeft dit bedrag daarom terecht aangemerkt als een teruggevorderd bedrag dat feitelijk niet is terugbetaald.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. H. Benek en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.K. van de Riet, griffier.
w.g. Willems
voorzitter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2025
1014
BIJLAGE
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 2.2
De compensatie bestaat uit:
a. een bedrag vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van een kinderopvangtoeslag of het beëindigen van voorschotverlening voor een kinderopvangtoeslag die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, of de hardheid, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, vermeerderd met een bedrag voor de rente die is begrepen in een beschikking tot terugvordering;
b. een bedrag voor een bestuurlijke boete die is opgelegd op grond van artikel 40 of 41 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voor een verzuim of vergrijp betreffende de kinderopvangtoeslag;
c. een bedrag voor materiële schade;
d. een bedrag voor immateriële schade;
e. een bedrag voor invorderingskosten;
f. een bedrag voor proceskosten;
g. een rentevergoeding voor het niet uitgekeerde bedrag vanwege het verminderen of niet toekennen van de kinderopvangtoeslag of het beëindigen van de voorschotverlening kinderopvangtoeslag.
Artikel 2.3
1. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, is gelijk aan het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of is teruggevorderd, vermeerderd met het bedrag van de rente die is begrepen in een beschikking tot terugvordering en verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met:
a. een nog niet betaald bedrag van de terugvordering en van de rente; of
b. een alsnog toegekende kinderopvangtoeslag of een verhoging daarvan met betrekking tot het berekeningsjaar waarop de compensatie betrekking heeft.
2. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel b, is gelijk aan het bedrag van de bestuurlijke boete dat is betaald.
3. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel c, is gelijk aan de som van 25% van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, zonder de verminderingen, en 25% van het bedrag van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel b.
4. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel d, is ongeacht het aantal berekeningsjaren waarop de compensatie betrekking heeft, gelijk aan € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar, met dien verstande dat het bedrag niet hoger is dan de som van de bedragen die overeenkomstig het eerste lid voor de berekeningsjaren zijn vastgesteld, zonder de verminderingen.
5. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel e, is gelijk aan de kosten die door de Belastingdienst/Toeslagen in rekening zijn gebracht en zijn betaald voor invorderingshandelingen in verband met de beschikking, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, met inbegrip van betaalde invorderingsrente.
6. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel f, is een forfaitair bedrag voor de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende en aan de belanghebbende in rekening gebrachte rechtsbijstand met betrekking tot een beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, dat is vastgesteld overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, met wegingsfactor 2, waarbij wordt aangenomen dat er geen sprake is van samenhangende zaken, verminderd met een reeds toegekende of nog te toe te kennen proceskostenvergoeding.
7. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel g, wordt berekend over het bedrag, bedoeld in het eerste lid, zonder de verminderingen, met overeenkomstige toepassing van artikel 27 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en verminderd met rente die is vergoed op grond van een alsnog toegekende kinderopvangtoeslag of een verhoging daarvan.
8. De bedragen, bedoeld in het eerste tot en met zevende lid, worden vermeerderd met 1%.
9. Het bedrag van de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade is de aanvullende werkelijke schade, bedoeld in artikel 2.1, derde lid, vermeerderd met 1%.