Rechtspraak
Raad van State
2025-06-04
ECLI:NL:RVS:2025:2582
Bestuursrecht
Hoger beroep
751 tokens
Inleiding
202405906/1/A3.
Datum uitspraak: 4 juni 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 augustus 2024 in zaak nr. 23/986 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.
Openbare zitting gehouden op 4 juni 2025 om 12:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.J. Daalder, voorzitter
griffier: mr. G.A. van de Sluis
jurist: mr. B. Dijkhoff
Verschenen:
het college, vertegenwoordigd door mr. A.M.J. van den Biggelaar;
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 5 augustus 2024 van de rechtbank waarbij de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 3 april 2023 ongegrond heeft verklaard. In dat besluit heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 augustus 2022, waarbij het verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur is toegewezen, gedeeltelijk gegrond verklaard.
Motivering
1. Het college heeft het verzoek om openbaarmaking van documenten van 29 maart 2022 toegewezen en diverse documenten openbaar gemaakt. Met het besluit van 3 april 2023 heeft het college de facturen naheffingsaanslagen P1 over januari 2022 en februari 2022 alsnog openbaar gemaakt.
2. [appellant] betwist dat het college alle documenten die zien op zijn verzoek openbaar heeft gemaakt. Meer specifiek heeft het college de begroting van de kostprijs 2022 niet openbaar gemaakt. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot betaling van wettelijke rente over het griffierecht afgewezen. De rechtbank had moeten bepalen dat de wettelijke rente moet worden vergoed als er niet tijdig door het college wordt betaald, omdat [appellant] in een andere procedure lang heeft moeten wachten op de betaling van het griffierecht.
3. De gronden die [appellant] in hoger beroep aanvoert, zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in haar uitspraak uitgelegd waarom die gronden niet slagen. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank.
4. Het college heeft op de zitting, net als in de schriftelijke uiteenzetting, verklaard dat het griffierecht niet binnen vier weken na de uitspraak van de rechtbank is vergoed en dat daarom ook de wettelijke rente over het griffierecht aan [appellant] is vergoed. [appellant] heeft daarom naar de kern bereikt wat hij met zijn grond over die wettelijke rente wilde bereiken en heeft geen belang meer bij een oordeel daarover.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover aangevallen.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
802-1101