Rechtspraak
Raad van State
2025-01-27
ECLI:NL:RVS:2025:255
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
876 tokens
Inleiding
202407792/1/V3 en 202407792/2/V3.
Datum uitspraak: 27 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 december 2024 in zaak nr. NL24.32023 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 augustus 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 13 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Berger, advocaat in Zwolle, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Wat de vreemdeling in zijn grieven heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De voorzieningenrechter van de Afdeling neemt de motivering onder 4.3 tot en met 4.5 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Ambtshalve wordt overwogen dat de uitspraak van de rechtbank een innerlijke tegenstrijdigheid bevat. De rechtbank heeft onder 4.1 en 4.2 namelijk tot uitdrukking gebracht dat het beroep gegrond is, dat het besluit wordt vernietigd en dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. De rechtbank heeft in de beslissing echter het beroep ongegrond verklaard.
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren, het besluit van 14 augustus 2024 vernietigen en bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. De minister moet de proceskosten voor de beroepsfase vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 december 2024 in zaak nr. NL24.32023;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 14 augustus 2024, V-[…];
V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;
VI. wijst het verzoek af;
VII. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. B.P. Vermeulen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Vermeulen
voorzieningenrechter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2025
846-1137