Rechtspraak
Raad van State
2025-01-24
ECLI:NL:RVS:2025:254
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
817 tokens
Inleiding
202408015/1/V2 en 202408015/2/V2.
Datum uitspraak: 24 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 19 december 2024 in zaak nr. NL24.34706 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 4 september 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 19 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D. de Heuvel, advocaat in Papendrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De eerste grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. De vreemdeling betoogt in zijn tweede grief tevergeefs dat zijn nationaliteit en herkomst wel geloofwaardig zijn geacht, waardoor ook beoordeeld had moeten worden of hij bij terugkeer naar Algerije heeft te vrezen voor een situatie van materiële deprivatie. Daarmee gaat hij er namelijk aan voorbij dat de rechtbank heeft onderkend dat de minister ook heeft beoordeeld of de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000. Naast het standpunt dat de ongeloofwaardigheid van de identiteit van de vreemdeling zeer sterk doorwerkt in zijn asielmotief dat hij problemen heeft vanwege zijn achternaam, heeft de minister in die beoordeling ook betrokken dat de vreemdeling heeft verklaard geen problemen te hebben gehad in Algerije vanwege zijn achternaam en dat hem bij terugkeer niets zal overkomen. Daarom heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die relevant zijn voor de beoordeling of hij een reëel risico op ernstige schade loopt. De grief slaagt niet.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.
w.g. Den Heyer
voorzieningenrechter
w.g. Veen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2025
986