Rechtspraak
Raad van State
2025-05-21
ECLI:NL:RVS:2025:2344
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,772 tokens
Inleiding
202207446/1/R1.
Datum uitspraak: 21 mei 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Tussenuitspraak in het geding tussen:
Evos Amsterdam East B.V. (hierna: Evos), gevestigd in Amsterdam,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 16 november 2022 heeft het college krachtens artikel 39, tweede lid, eerste volzin, van de Wet bodembescherming (hierna: de Wbb) geweigerd in te stemmen met het op 28 maart 2022 door Evos ingediend "Raamsaneringsplan historische olieverontreiniging Evos Amsterdam East B.V." van Arcadis van 14 maart 2022 (hierna: het raamsaneringsplan 2022) met betrekking tot een geval van verontreiniging ter plaatse van de percelen plaatselijk bekend als Heining 100 te Amsterdam, kadastraal bekend gemeente Sloten, sectie K, nummers 02354, 03435 en 03517 (hierna: de locatie).
Tegen dit besluit heeft Evos beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De gemeente Amsterdam en het Havenbedrijf Amsterdam N.V. hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Evos en de gemeente hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 14 april 2025, waar Evos, vertegenwoordigd door mr. W.J. Bosma en mr. D. Fejzović, beiden advocaat te Den Haag, bijgestaan door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. G.A. van der Veen, advocaat te Rotterdam, bijgestaan door [gemachtigden], zijn verschenen. Verder zijn de gemeente Amsterdam, vertegenwoordigd door mr. I.H. van den Berg, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door J. de Jong en mr. R. Busscher, en het Havenbedrijf Amsterdam N.V., vertegenwoordigd door mr. K. Winterink, advocaat te Den Haag, bijgestaan door [gemachtigden], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet bodem Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet blijft op gevallen van ernstige verontreiniging als bedoeld in de Wbb of saneringen als bedoeld in de Wbb het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing, als vóór dat tijdstip een besluit is genomen dat spoedige sanering op grond van artikel 29 in samenhang bezien met artikel 37 van de Wbb noodzakelijk is, dan wel een (deel)saneringsplan als bedoeld in artikel 39 of 40 van de Wbb is ingediend.
Het besluit dat sprake is van een geval van ernstige verontreiniging waarvan spoedige sanering noodzakelijk is, is genomen op 21 oktober 1997. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wbb, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Op de locatie ligt het werkterrein van Evos. Zij exploiteert een op- en overslagbedrijf voor vloeibare energie en chemische producten. De locatie is vanaf 1975 door de rechtsvoorganger van Evos, Oiltanking Amsterdam B.V., en later door Evos aldus in gebruik geweest en dit gebruik duurt nog steeds voort. De gemeente Amsterdam is bloot eigenaar van de betreffende gronden. Het Havenbedrijf Amsterdam N.V. is economisch eigenaar van die gronden en heeft deze in erfpacht uitgegeven aan Evos. Ten gevolge van de betreffende bedrijfsactiviteiten op de locatie is de bodem op het zuidelijke deel ervan verontreinigd geraakt met minerale olie en vluchtige aromaten.
Besluiten
3. Bij besluit van 21 oktober 1997 van het college is krachtens de Wbb vastgesteld dat op de locatie sprake is van een urgent geval van ernstige bodemverontreiniging. Bij beluit van 24 juni 2004 heeft het college ingestemd met een op 2 februari 2004 door Oiltanking Amsterdam B.V. ingediend saneringsplan. Nadat Evos, als rechtsopvolger, in de loop der jaren meer inzicht heeft verkregen in de omvang van de verontreiniging, is door Evos op 28 maart 2022 een nieuw saneringsplan - het raamsaneringsplan 2022 - voor de locatie ingediend. Bij het hier bestreden besluit van 16 november 2022 heeft het college krachtens artikel 39, tweede lid, eerste volzin, van de Wbb geweigerd hiermee in te stemmen, omdat - kort gezegd - er met de door Evos gekozen saneringsvariant naar het oordeel van het college niet wordt voldaan aan de uitgangspunten als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wbb. Evos kan zich hiermee niet verenigen en heeft beroep tegen het besluit van 16 november 2022 ingesteld.
Instemming van rechtswege?
4. In artikel 39, tweede lid, van de Wbb is bepaald dat het college binnen vijftien weken na de indiening van het saneringsplan besluiten over instemming. Het college kan deze termijn verlengen met ten hoogste vijftien weken. De instemming is van rechtswege verleend indien niet binnen de instemmingstermijn van vijftien weken of voor de afloop van de termijn waarmee is verlengd een beslissing is genomen.
5. Evos heeft op 28 maart 2022 het raamsaneringsplan 2022 ingediend. De in artikel 39, tweede lid, van de Wbb opgenomen beslistermijn van 15 weken is bij brief van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (hierna: de Omgevingsdienst) van 26 april 2022 overeenkomstig dat artikel met 15 weken verlengd. Hiervan uitgaande eindigde de beslistermijn op 24 oktober 2022 en is bij het uitblijven van een beslissing van het college de dag na het verstrijken van de termijn, op 25 oktober 2022, van rechtswege instemming met het saneringsplan verleend. Dit is tussen partijen niet in geschil. Het college stelt zich echter op het standpunt dat de beslistermijn in dit geval ingevolge artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van 24 juni 2022 tot en met 20 juli 2022 opgeschort is geweest, zodat de beslistermijn op 17 november 2022 is geëindigd. Evos betwist dat, zodat het college volgens haar niet binnen de beslistermijn heeft beslist waardoor instemming van rechtswege is verleend.
6. Evos voert daartoe aan dat de e-mail van de Omgevingsdienst van 24 juni 2022 met een verzoek om het aanvullen van de gevraagde gegevens en bescheiden voor de beoordeling van het raamsaneringsplan 2022 zonder dat een termijn is gesteld niet kan worden aangemerkt als een krachtens artikel 4:5, eerste lid, van de Awb gedane uitnodiging om het raamsaneringsplan 2022 aan te vullen, die ingevolge artikel 4:15 van de Awb leidt tot het opschorten van de beslistermijn. Evos wijst in dit kader op onder meer de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2527. Voor zover de e mail van de Omgevingsdienst van 27 juni 2022 - waarin staat aangegeven dat de Omgevingsdienst zoals eerder telefonisch is afgesproken op 28 juni 2022 uitsluitsel over de gevraagde gegevens en bescheiden ontvangt - al moet worden opgevat als een uitnodiging in voormelde zin, betoogt Evos dat de beslistermijn in dat geval slechts van 24 juni 2022 tot en met 28 juni 2022 opgeschort is geweest, zodat de beslistermijn in dat geval is geëindigd op 29 oktober 2022 en het college ook dan niet binnen de beslistermijn heeft beslist.
6.1. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb kan een bestuursorgaan besluiten een aanvraag niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
Ingevolge artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, wordt de termijn voor het geven van een beschikking opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Ingevolge artikel 4:15, tweede lid, aanhef en onder a, wordt de termijn voor het geven van een beschikking voorts opgeschort gedurende de termijn waarvoor de aanvrager schriftelijk met uitstel heeft ingestemd.
6.2. De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 4:15, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb de termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort gedurende de termijn waarvoor de aanvrager schriftelijk met uitstel heeft ingestemd. De schriftelijke instemming moet worden gegeven voordat de beslistermijn afloopt (zie de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2098).
Bij e-mail van de Omgevingsdienst aan Evos van 24 juni 2022 heeft de Omgevingsdienst naar aanleiding van het ingediende raamsaneringsplan 2022 aan Evos verzocht om aanvullende informatie te verstrekken. In deze e-mail staat verder: "Ondertussen stel ik de aanvraag buiten behandeling". Met de e-mail van Evos aan de Omgevingsdienst van 20 juli 2022 - die overigens pas op de zitting door het college is overgelegd en waarvan de inhoud niet door Evos is bestreden - is de gevraagde informatie met een memo van Arcadis van 20 juli 2022 ontvangen. In deze e-mail staat verder: "Ik ga er vanuit dat n.a.v. de reactie de procedure niet langer buiten behandeling is gesteld". In een e-mail van de Omgevingsdienst aan Evos van diezelfde datum staat vervolgens: "Zodra […] terug is van vakantie zullen wij de beschikking afronden en aan u toezenden". Gelet op de feitelijke gang van zaken zoals deze uit de teksten van deze e-mailcorrespondentie volgt, kan de e-mail van Evos aan de Omgevingsdienst van 20 juli 2022 naar het oordeel van de Afdeling niet anders worden begrepen dan dat Evos heeft bevestigd dat zij ervan uitgaat dat met het indienen van de memo op 20 juli 2022 de opschortingstermijn als bedoeld in artikel 4:15 van de Awb ten einde was gekomen en de beslistermijn na deze termijn verder is gaan lopen.
Conclusie
7. De conclusie is dat geen instemming van rechtswege met het raamsaneringsplan 2022 is verleend. Dat betekent dat de Afdeling toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van Evos. Nu het onderzoek op de zitting van 14 april 2025 beperkt is gebleven tot de vraag of het college op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wbb van rechtswege heeft ingestemd met het raamsaneringsplan 2022, is het onderzoek op de zitting niet volledig geweest. Gelet op het belang van partijen bij een antwoord op deze vraag, kiest de Afdeling ervoor om haar oordeel daarover al in deze tussenuitspraak te geven. Met het oog op een spoedige en definitieve beslechting van het geschil zal de Afdeling het onderzoek heropenen. Partijen zullen worden uitgenodigd voor een nieuwe zitting.
8. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten, de deskundigenkosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt dat het onderzoek wordt heropend.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Lammers, griffier.
w.g. Van Altena
voorzitter
w.g. Lammers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2025
890