Rechtspraak
Raad van State
2025-05-07
ECLI:NL:RVS:2025:2082
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,033 tokens
Inleiding
202403157/1/R1.
Datum uitspraak: 7 mei 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend in Vlissingen,
2. [appellant sub 2], wonend in Vlissingen,
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 16 april 2024 heeft het college het "spreidingsplan locaties afvalinzamelvoorzieningen Paauwenburg-omgekeerd inzamelen" vastgesteld. Daarbij is onder meer de locatie aan de Abraham Kuyperstraat ter hoogte van de Abraham Kuyperstraat 23 aangewezen voor de plaatsing van een ondergrondse restafvalcontainer (hierna: ORAC).
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.
[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2025, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. M. Busse, rechtsbijstandverlener in Goes, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. drs. C.R. Jansen, rechtsbijstandverlener in Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door J.B. Bijl en T.F. Lina, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij het besluit zijn 33 locaties in de wijk Paauwenburg in Vlissingen aangewezen als locatie voor de plaatsing van een boven- of ondergrondse afvalcontainer. Onder meer de locatie aan Abraham Kuyperstraat ter hoogte van de Abraham Kuyperstraat 23 is aangewezen voor de plaatsing van een ORAC (de bestreden locatie).
2. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1] en [appellant sub 2] woont aan de [locatie 2]. Zij zijn het niet eens met de plaatsing van een container op de bestreden locatie.
Toetsingskader
3. Bij de keuze van een locatie voor een ORAC moet het bestuursorgaan een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het bestuursorgaan beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Daarbij beoordeelt zij of het bestuursorgaan de locatie geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van de ORAC.
4. Bij het bepalen van de locaties van de ORAC’s heeft het college de randvoorwaarden gehanteerd, zoals neergelegd in bijlage 2 bij het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Vlissingen 2022.
De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]
Noodzaak
5. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat een ORAC op de bestreden locatie niet nodig is, omdat er al drie locaties in de nabijheid zijn. Als de bestreden locatie vervalt, wordt volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] nog steeds voldaan aan de loopafstanden in de randvoorwaarden. Daarnaast hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op de zitting betoogd dat een ORAC op de locatie in strijd is met het beleidsuitgangspunt dat erop neerkomt dat het inzamelen van restafval wordt ontmoedigd door minder locaties aan te wijzen voor de plaatsing van een ORAC. Daardoor wordt immers de afstand tot de ORAC voor gebruikers kleiner.
5.1. Het college heeft toegelicht dat het bij de locatiekeuze, zowel het zogenoemde "ontmoedigingsbeleid" als de loopafstanden als opgenomen in de randvoorwaarden heeft betrokken. Getracht is de afstand maximaal op te rekken, terwijl nog steeds op een effectieve manier ingezameld kan worden. Volgens het college kan uit oogpunt van effectieve inzameling niet worden volstaan met de drie door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] genoemde locaties. Als de bestreden locatie zou vervallen, zouden er te weinig containers zijn voor het aantal gebruikers en zou er vaker moeten worden geleegd.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college toereikend gemotiveerd waarom het noodzakelijk is dat er een ORAC op de locatie wordt geplaatst. Het betoog slaagt niet.
6. De Afdeling zal hierna beoordelen of het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van een ORAC.
Geschiktheid locatie
Parkeren
7. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat door de aanwijzing een parkeerplek vervalt, terwijl volgens de randvoorwaarden parkeerplekken zoveel mogelijk behouden moeten blijven.
7.1. Het college heeft toegelicht dat het in de afweging heeft betrokken dat volgens de randvoorwaarden parkeerplekken zo veel mogelijk moeten worden behouden. Het college heeft het verlies van 1 parkeerplaats niet onredelijk geacht in het licht van de afweging van alle betrokken belangen, waaronder de voorziene herinrichting van de wijk. Daarbij heeft het college parkeertellingen uitgevoerd. Daaruit komt naar voren dat na het vervallen van 1 parkeerplaats voldoende parkeergelegenheid overblijft. Daarbij acht het college het acceptabel als bewoners verder moeten lopen voor een parkeerplaats. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college de locatie niet heeft mogen aanwijzen, vanwege de randvoorwaarde over parkeren.
Het betoog slaagt niet.
Aantasting woongenot
8. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vrezen voor aantasting van hun woongenot in de vorm van verlies van privacy, geluidsoverlast en geuroverlast. [appellant sub 1] heeft er in dat kader ook op gewezen dat de locatie in strijd met de randvoorwaarden in de volle zon ligt. Daarnaast wordt volgens hen bij ORAC’s vaak afval naast de container geplaatst.
8.1. De Afdeling is van oordeel dat de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gestelde geur- en geluidhinder geen reden voor het college moest zijn om af te zien van het aanwijzen van de aangewezen locatie. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1464, hoeven gevolgen van de plaatsing van ORAC’s in de vorm van geur- en geluidhinder onder normale omstandigheden niet aan een aanwijzing van een locatie in de weg te staan. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben geen locatiespecifieke omstandigheden aangedragen die maken dat het college vanwege de gevolgen daarvan voor geur- en geluidhinder had moeten afzien om de locatie aan te wijzen. Het college heeft verder over het aspect geur toegelicht dat het afval zich bevindt in een metalen container binnen in een betonput van 2,7 m diep, die met een klep is afgesloten, zodat er geen geurhinder van betekenis is te verwachten. Daarnaast bevinden de voorgevels van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zich op ongeveer 5,7 m van de aangewezen locatie. In de randvoorwaarden wordt uitgegaan van een afstand van minimaal 3 m. Aan die afstand wordt voldaan. Gelet op het voorgaande heeft het college in de omstandigheid dat de locatie in de volle zon ligt geen aanleiding hoeven zien de locatie niet aan te wijzen, vanwege het aspect geur. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de randvoorwaarde dat inzamelvoorzieningen zo min mogelijk in de volle zon worden geplaatst vooral ziet op gft-afval. In dit geval gaat het om een restafvalcontainer. Vanwege de hiervoor genoemde afstand van 5,7 m heeft het college naar het oordeel van de Afdeling in de gevreesde aantasting van privacy evenmin een belemmering hoeven zien voor het aanwijzen van de locatie. Het college heeft daarover verder toegelicht dat de ORAC zo wordt geplaatst dat men bij het openen van de container met de rug of de zijkant naar de woningen staat. Over het bijplaatsen van afval heeft de Afdeling eerder overwogen dat dit een kwestie van handhaving is en een eventuele gebrekkige handhaving de rechtmatigheid van het aanwijzingsbesluit niet aantast (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2724, onder 6.1). Bovendien heeft het college toegelicht dat het een systeem van vulgraadmeting via een sensor hanteert, zodat een container altijd wordt geleegd als deze voor 80% vol zit.
Het betoog slaagt niet.
Verkeersveiligheid
9. [appellant sub 2] voert aan dat de verkeersveiligheid in het geding komt. Volgens hem zal de weg worden geblokkeerd door mensen die met de auto naar de ORAC komen en tijdens het legen van de ORAC. Daarnaast heeft hij er tijdens de zitting op gewezen dat niet is onderbouwd of door aanwijzing van de locatie de bereikbaarheid van de woningen voor hulpdiensten niet in gevaar komt.
9.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de hiervoor genoemde uitspraak van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1464, is de verkeersaantrekkende werking van ORAC’s in het algemeen beperkt en is het legen van ORAC’s van korte duur. Omdat de afstand tot de ORAC voor de gebruikers minder dan 150 m is, worden volgens het college in dit geval weinig tot geen extra verkeersbewegingen verwacht. Daarnaast wordt de ORAC een keer per week geleegd en duurt dat ongeveer acht minuten. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het college de locatie niet geschikt heeft mogen achten vanwege de verkeersveiligheid.
Conclusie
11. De conclusie is dat wat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college, met inachtneming van de randvoorwaarden, de aangewezen locatie niet geschikt heeft mogen achten voor plaatsing van een ORAC.
Alternatieve locaties
12. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat er geschiktere alternatieve locaties zijn. Zij hebben op de volgende locaties gewezen: A) het begin van de Colijnstraat, B) halverwege de Colijnstraat, C) het einde van de Colijnstraat, D) de Van Hogendorpweg tegenover wijkcentrum de Burgerij en E) tegenover het blok van de van Hogendorpweg 28-42.
12.1. De Afdeling heeft onder 10 geconcludeerd dat het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor het plaatsen van een ORAC. De Afdeling zal beoordelen of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de aangewezen locatie vanwege de aangedragen alternatieve locaties. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.
12.2. Het college heeft in algemene zin toegelicht dat het de capaciteit en spreiding van de ORAC’s heeft betrokken bij de locatiekeuze. Daarnaast heeft het college toegelicht dat de locatiekeuze onderdeel is van een herinrichting van de wijk, waarbij onder meer aspecten als meer groen een rol spelen. Voor locatie B geldt dat deze locatie bij de herinrichting is ontworpen als groen. Zoals ook onder 10.1 is overwogen zijn daarvoor in de straat weinig andere mogelijkheden door de garageboxen en uitritten.
Voor de aangedragen locaties A, D en E geldt dat deze locaties volgens het college niet geschikt zijn in verband met de spreiding. Op deze locaties zou volgens het college de ORAC te dicht bij de geplande container aan de Alexander Gogelweg en de Van Hogendorpweg komen te staan, waardoor er voor 70 woningen in een straal van 50 m twee containers voor restafval zouden zijn. Dat is in strijd met het door het college gehanteerde beleid dat erop neerkomt dat het inzamelen van restafval wordt ontmoedigd door de ORAC’s op grote afstand van elkaar te plaatsen. Over locatie C heeft het college toegelicht dat deze locatie niet wenselijk is, omdat het een doodlopende straat betreft. De Afdeling is van oordeel dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat de aangedragen alternatieve locaties niet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie dat voor één van die alternatieve locaties gekozen had moeten worden.
Het betoog slaagt niet.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H. Benek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Tarifit, griffier.
w.g. Benek
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Tarifit
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2025
672-1036