Rechtspraak
Raad van State
2025-05-07
ECLI:NL:RVS:2025:2047
Bestuursrecht
Hoger beroep
722 tokens
Inleiding
202404275/1/A2.
Datum uitspraak: 7 mei 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 31 mei 2024 in zaak nr. 23/3469 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 4 oktober 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen (nu en hierna: de Dienst Toeslagen) het verzoek van [appellant] om herziening van de (definitieve) berekening van de zorgtoeslag tussen 2016 en 2021 afgewezen.
Bij besluit van 17 juli 2023 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 31 mei 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 maart 2025, waar [appellant] en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
1. De Dienst Toeslagen heeft in de besluiten uitgelegd dat bij de berekening van de zorgtoeslag moet worden betrokken dat [appellant], gelet op artikel 5a, eerste lid en onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 3, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, een toeslagpartner heeft. Daarbij heeft de Dienst Toeslagen erop gewezen dat het toeslagpartnerschap pas wordt beëindigd nadat [appellant] een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed heeft ingediend bij de rechtbank.
2. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.3 en 7.1 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. In reactie op de stelling van [appellant] in hoger beroep dat hij nooit zorgtoeslag heeft aangevraagd, voegt de Afdeling daaraan nog toe dat de Dienst Toeslagen de aanvraag om zorgtoeslag in beroep heeft overgelegd. Ook heeft [appellant] op de zitting van de Afdeling niet betwist dat hij al die jaren de zorgtoeslag op zijn bankrekening gestort heeft gekregen.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
4. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Benek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. Benek
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Vink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2025
154-1043