Rechtspraak
Raad van State
2025-05-07
ECLI:NL:RVS:2025:2046
Bestuursrecht
Hoger beroep
885 tokens
Inleiding
202405389/1/A2.
Datum uitspraak: 7 mei 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2024 in zaak nr. 24/520 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 1 september 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen (nu en hierna: de Dienst Toeslagen) de huurtoeslag van [appellante] voor het jaar 2022 definitief vastgesteld op € 1.954,00. Daarnaast is het teveel betaalde voorschot van € 1.083,00 teruggevorderd.
Bij besluit van 3 november 2023 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 maart 2025, waar de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellante] heeft in 2022 een voorschot op de huurtoeslag ontvangen. Dit voorschot is berekend op basis van een rekenhuur van € 510,21. Na een procedure bij de huurcommissie is de huur met ingang van 1 juli 2022 verlaagd naar € 307,11. [appellante] heeft dit niet bij de Dienst Toeslagen gemeld. Dit heeft geleid tot het besluit van 1 september 2023, dat is gehandhaafd bij besluit van 3 november 2023. De Dienst Toeslagen heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de door [appellante] aangevoerde bijzondere omstandigheden geen reden geven om de terugvordering geheel of gedeeltelijk te matigen.
2. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 9 tot en met 11 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan nog toe dat de Dienst Toeslagen, net als bij de rechtbank, ook op de zitting van Afdeling heeft aangegeven dat [appellante] kan verzoeken om een persoonlijke betalingsregeling.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
5. [appellante] heeft een verzoek gedaan om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De redelijke termijn is gestart vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van [appellante] door de Dienst Toeslagen op 26 september 2023 en geëindigd met deze uitspraak van de Afdeling. Dit betekent dat de procedure niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De redelijke termijn is niet overschreden. Het verzoek van [appellante] wordt daarom afgewezen.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. H. Benek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. Benek
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Vink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2025
154-1043