Rechtspraak
Raad van State
2025-04-30
ECLI:NL:RVS:2025:1991
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
440 tokens
Inleiding
202502390/2/A2.
Datum uitspraak: 30 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van:
[verzoekster],
verzoekster,
om het treffen van een voorlopige voorziening in het geding tussen:
verzoekster
en
het college van beroep voor de examens van de Hogeschool van Amsterdam (hierna: CBE),
verweerder.
Procesverloop
[verzoekster] heeft beroep ingesteld tegen een beslissing van het CBE van 24 april 2025, waarbij haar administratief beroep tegen de afwijzing door de examencommissie van het verzoek om ontheffing van de ingangseis van de stage ongegrond is verklaard. Tevens heeft zij verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het beroep en de voorlopige voorziening op 8 mei 2025 op een zitting worden behandeld.
Op 30 april 2025 heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter verzocht om een ordemaatregel te treffen, inhoudende dat zij op 30 april en 1, 2, 5, 7 en 8 mei 2025 haar stage kan voortzetten.
Overwegingen
1. In wat is aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat in de periode tot aan de behandeling op de zitting sprake zal zijn van onomkeerbare gevolgen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
2. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
voorzieningenrechter
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2025
705-1160