Rechtspraak
Raad van State
2025-04-10
ECLI:NL:RVS:2025:1858
Bestuursrecht
Hoger beroep
727 tokens
Inleiding
202403163/1/A2.
Datum uitspraak: 10 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 4 april 2024 in zaak nr. 22/6137 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Openbare zitting gehouden op 10 april 2025 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.J. Daalder
Griffier: mr. O. van Loon
Jurist: mr. K.J. de Vries
Verschenen:
[appellant], bijgestaan door mr. M.K. Bhadai, advocaat in Den Haag;
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, vertegenwoordigd door mr. T.M.T. Konings.
=
=
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 4 april 2024 van de rechtbank waarin het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college ongegrond is verklaard. Het geschil gaat over de bestuurlijke boete van € 10.000,00 die het college aan [appellant] heeft opgelegd voor het in gebruik geven van woonruimte aan een huishouden dat niet beschikt over een huisvestingsvergunning.
Dictum
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Gronden:
De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, komen neer op een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de opgenomen overwegingen 4 tot en met 10, waarop dat oordeel is gebaseerd.
De Afdeling voegt daaraan toe dat, hoewel in de huurovereenkomst staat dat de huurder de huisvestingsvergunning moet aanvragen, het risico van het niet doen van die aanvraag bij [appellant] als verhuurder ligt. Daarbij kan er niet aan worden voorbijgegaan dat tot op de dag van vandaag de huisvestigingsvergunning voor deze woning nog niet is aangevraagd.
Het college heeft mogelijkheid om de boete aan de huurder óf de verhuurder of beide op te leggen. Het college voert het beleid waarbij de boetes primair aan verhuurders opgelegd vanwege de preventieve werking die daarvan uitgaat. Dat is voldoende rechtvaardiging voor de keuze om de boete aan [appellant] als professioneel verhuurder op te leggen.
Voor matiging van de boete vanwege persoonlijke omstandigheden ziet de Afdeling evenals de rechtbank geen aanleiding, hoe vervelend de omstandigheden voor [appellant] ook waren. Als professioneel verhuurder had hij iemand anders moeten inschakelen als hij zelf tijdelijk niet in staat was zijn zaken te behartigen.
De uitspraak van de rechtbank blijft dus in stand en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
284-1043