Rechtspraak
Raad van State
2025-01-13
ECLI:NL:RVS:2025:178
Bestuursrecht
Hoger beroep
916 tokens
Inleiding
202406320/1/A3.
Datum uitspraak: 14 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B], wonend in Den Haag,
appellanten,
en
de burgemeester van Den Haag,
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 14 januari 2025 om 14:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.J. Daalder, voorzitter
Staatsraad mr. C.J. Borman, lid
Staatsraad mr. J.C.A. de Poorter, lid
griffier: mr. R.J.A. Meerman
Verschenen:
[partij A];
[partij B];
[appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. E. Koornwinder, advocaat te Den Haag;
de burgemeester van Den Haag, vertegenwoordigd door mr. J.V. de Kort, advocaat te Den Haag, en mr. E.P. Alonzo;
Opera I B.V. en Opera II B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. A. de Groot, advocaat te Den Haag.
Procesverloop
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 17 april 2024, zaaknr. 202202956/1/A3, de burgemeester opgedragen om binnen twaalf weken na verzending van die uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.
[appellanten] heeft beroep bij de Afdeling ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit door de burgemeester.
Bij besluit van 14 oktober 2024 heeft de burgemeester op grond van artikel 4:18 van de Awb de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom vastgesteld op € 1.442,00.
Het daartegen door [appellanten] op 30 oktober 2024 gemaakte bezwaar is op grond van artikel 7:1a van de Awb naar de Afdeling doorgestuurd met het verzoek om de behandeling daarvan over te nemen.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep tegen het besluit van 14 oktober 2024 ongegrond;
II. verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond;
III. vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
IV. draagt de burgemeester van Den Haag op om uiterlijk op 14 maart 2025 een besluit te nemen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
V. bepaalt dat de burgemeester van Den Haag aan [appellant A] en [appellant B] dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee de burgemeester van Den Haag de hiervoor genoemde termijn voor de bekendmaking van het besluit overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 150,00 per dag bedraagt, met een maximum van € 15.000,00;
VI. veroordeelt de burgemeester van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat de burgemeester van Den Haag aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt.
Gronden
• Naar het oordeel van de Afdeling is het besluit van de burgemeester van 14 oktober 2024 juist, omdat het gaat om één verzoek om te beslissen op het bezwaarschrift.
• De burgemeester heeft nog geen besluit genomen. De termijn die de Afdeling in haar uitspraak van 17 april 2024 heeft gegeven, is daarom overschreden. Ter zitting is met partijen besproken welke beslistermijn zou moeten worden opgelegd. Uiteindelijk konden alle partijen zich vinden in een uiterste beslistermijn van 14 maart 2025.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Meerman
griffier
960