Rechtspraak
Raad van State
2025-03-21
ECLI:NL:RVS:2025:1323
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
786 tokens
=== VOLLEDIG ===
202501668/3/R3.
Datum uitspraak: 21 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, in het geding tussen:
[verzoeker A] en [verzoeker B], wonend in Franeker, gemeente Waadhoeke,
verzoekers,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank) van 21 maart 2025 in de zaken nrs. 25/534 en 25/949 in het geding tussen:
[verzoekers]
en
het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke.
Tegenwoordig:
voorzieningenrechter: mr. N. Verheij
griffier: mr. A.S. Rietveld
Bij besluit van 6 mei 2024 heeft het college aan [verzoekers] een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende de niet-toegestane bedrijvigheid op het perceel [locatie] in Franeker te beëindigen en beëindigd te houden en de paardrijbak met drie lichtmasten te verwijderen en verwijderd te houden, onder dreiging van verbeurte van een dwangsom van € 3.000,00 per week of deel van de week dat wordt geconstateerd dat de overtreding niet is beëindigd, met een maximum van € 30.000,00.
Bij besluit van 19 december 2024 heeft het college het door [verzoekers] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 maart 2025 heeft de rechtbank het door [verzoekers] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en bepaald dat de begunstigingstermijn eindigt op de datum waarop de uitspraak is gedaan.
Tegen deze uitspraak hebben [verzoekers] hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de begunstigingstermijn voor het voldoen aan de last zoals deze is opgelegd in het besluit van 6 mei 2024, wordt verlengd tot vier weken na de dag van de uitspraak van de rechtbank;
Gronden:
De voorzieningenrechter acht het praktisch onmogelijk voor [verzoekers] om binnen de door de rechtbank gestelde begunstigingstermijn te voldoen aan de door het college opgelegde last. Niet is gebleken dat de bij de last betrokken belangen ernstig in het gedrang komen bij een verlenging van de begunstigingstermijn met enkele weken. De voorzieningenrechter ziet in wat [verzoekers] naar voren hebben gebracht daarom aanleiding om bij wijze van ordemaatregel de begunstigingstermijn te verlengen met vier weken.
Op 8 april 2025 zal een zitting worden gehouden. Dan zal de voorzieningenrechter beoordelen of aanleiding bestaat de bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen. Partijen zullen voor deze zitting een afzonderlijke uitnodiging ontvangen.
Over de proceskosten zal worden beslist in de uitspraak over de vraag of aanleiding bestaat de getroffen voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen.
w.g. Verheij
voorzieningenrechter
w.g. Rietveld
griffier