Rechtspraak
Raad van State
2024-03-06
ECLI:NL:RVS:2024:880
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
624 tokens
Inleiding
202304733/2/R3.
Datum uitspraak: 6 maart 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekers], beiden wonend te Vasse, gemeente Tubbergen,
verzoekers,
en
de raad van de gemeente Tubbergen,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 30 mei 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, Tutenbergweg 6 Vasse" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [verzoekers] beroep ingesteld. Ook hebben [verzoekers] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[verzoekers] hebben een nader stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld op 12 december 2023, waar [verzoekers], en de raad, vertegenwoordigd door mr. drs. M.Y. Rutjes en S.H. Prins, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Jomabe B.V., vertegenwoordigd door mr. A. Daan, advocaat te Deventer, en [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 27 juli 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
2. Bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2024:871, heeft de Afdeling op het beroep beslist. Derhalve is geen sprake meer van een geding. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
3. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.M.W. van Ewijk, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Van Ewijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2024
867