Rechtspraak
Raad van State
2024-02-15
ECLI:NL:RVS:2024:653
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
615 tokens
Inleiding
202200539/1/V2.
Datum uitspraak: 15 februari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 18 januari 2022 in zaak nr. NL21.11820 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 23 juni 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 18 januari 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.J.L. van de Glind, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling en de staatssecretaris hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht tot de conclusie gekomen dat de zaak van de vreemdeling niet draait om de vraag of hij een fundamentele politieke overtuiging heeft. Hiermee valt de zaak van de vreemdeling ook buiten de situatie als omschreven in de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:63, onder 5. Tevens heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat de vreemdeling in Azerbeidzjan wordt gezien als politiek opposant en daarom een vrees voor vervolging heeft.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2024
936