Rechtspraak
Raad van State
2024-12-20
ECLI:NL:RVS:2024:5296
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
774 tokens
Inleiding
202202989/1/V2.
Datum uitspraak: 20 december 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 20 april 2022 in zaak nr. NL20.20212 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 29 oktober 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 20 april 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.M.J. van Zantvoort, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 22 februari 2023 heeft de staatssecretaris de aanvraag alsnog ingewilligd.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. De vreemdeling komt uit Soedan. De rechtbank heeft het besluit van de minister van 29 oktober 2020, waarbij hij de asielaanvraag van de vreemdeling heeft afgewezen, vernietigd. De minister heeft bij besluit van 22 februari 2023 de asielaanvraag alsnog ingewilligd. De vreemdeling heeft de Afdeling desgevraagd laten weten dat hij het hoger beroep niet intrekt wegens de eerste grief over de vastgestelde geboortedatum. Omdat de asielaanvraag van de vreemdeling is ingewilligd, behoeven de grieven over het asielrelaas en de veiligheidssituatie in Soedan geen bespreking. Het hoger beroep gaat daarom alleen nog over de eerste grief.
2. In de uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, onder 6.9, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister niet op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan van de juistheid van een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat. Hoewel de vreemdeling terecht klaagt dat de minister dit in zijn zaak wel heeft gedaan, leidt de grief niet tot het beoogde doel. Afgezien van de verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel, heeft de minister de beoordeling van de leeftijd namelijk verricht in overeenstemming met het beoordelingskader dat de Afdeling in de hiervoor vermelde uitspraak. onder 7 tot en met 7.3, uiteen heeft gezet. Dat betekent dat de minister de vreemdeling terecht als meerderjarige heeft aangemerkt. De grief faalt.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Zwinkels
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2024
309-1003