Rechtspraak
Raad van State
2024-12-09
ECLI:NL:RVS:2024:5167
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
487 tokens
Inleiding
202406918/1/A2.
Datum uitspraak: 9 december 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van beroep voor de examens van de Universiteit Utrecht (hierna: het CBE),
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 9 december 2024 om 15:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. N. Verheij, voorzitter
griffier: mr. A.S. Rietveld
Verschenen:
[appellant]; bijgestaan door mr. M. Den Hertog, advocaat in Utrecht
Het CBE, vertegenwoordigd door mr. C. Bakirhan, R.J. Kok en M.J.A. Thijssen;
Het beroep richt zich tegen het besluit van het CBE van 16 oktober 2024, waarbij het CBE het door [appellant] gemaakte administratief beroep tegen de beslissing van 21 augustus 2024 ongegrond heeft verklaard. In de beslissing van 21 augustus 2024 heeft de opleidingsdirecteur van de bachelor Farmacie [appellant] een bindend negatief studieadvies (BNSA) gegeven.
Motivering
[appellant] heeft in het studiejaar 2023-2024 bepaalde keuzes gemaakt die hebben geresulteerd in onvoldoende studieresultaten waardoor hij niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor een positief studieadvies. Allereerst de keuze om niet de prioriteit te geven aan de vakken uit de propedeuse, maar vooral ook de keuze om naast zijn studie veel te gaan werken in het familierestaurant. Hierdoor was het onvermijdelijk dat hij (veel) minder tijd had om aan zijn studie te besteden. Dit is dan ook de oorzaak van de mindere studieresultaten van [appellant], niet de ziekte zijn opa. De keuze om in het familierestaurant te werken komt voor zijn eigen verantwoordelijkheid. Dit betekent dat het CBE een BNSA aan [appellant] heeft kunnen geven.
Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rietveld
griffier
1064