Rechtspraak
Raad van State
2024-12-06
ECLI:NL:RVS:2024:5045
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
5,366 tokens
Inleiding
202404915/1/R1 en 202404915/2/R1.
Datum uitspraak: 6 december 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend in Amsterdam,
appellanten,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 27 juni 2024 in zaak nr. 23/4496 en 24/1815 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 19 januari 2023 heeft het college aan het Montessori Lyceum Amsterdam (hierna: MLA) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen/verbouwen van 2 schoolgebouwen inclusief 3 sportzalen op de locatie Pieter de Hoochstraat 59 in Amsterdam.
Bij besluit van 8 juni 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft [appellant] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college en MLA hebben schriftelijke uiteenzettingen ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 november 2024, waar [appellant], bij monde van [appellant B], bijgestaan door [gemachtigde] en mr. N.M. Dik en mr. B.B. van Vliet, beiden advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. C. Vos en M.G. Spiegelenburg, zijn verschenen. Voorts is ter zitting MLA, vertegenwoordigd door drs. A. van Steenis, ir. B. van der Klij en ir. N. Hakenberg, bijgestaan door mr. F.P. van Galen, advocaat te Leiden, als partij gehoord.
Overwegingen
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Overgangsrecht Omgevingswet
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 16 juni 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
3. MLA wil haar schoolcomplex aan de Pieter de Hoochstraat 59 in Amsterdam vernieuwen. De aanleiding daarvoor is volgens MLA dat de aangescherpte visie op onderwijs en de bijbehorende werkwijze op dit moment onvoldoende is in te passen in de huidige gebouwen. Daarnaast is een deel van de gebouwen in een zodanig matige technische staat, dat ingrijpen noodzakelijk is om het comfort en de veiligheid voor leerlingen en medewerkers te waarborgen. MLA wil in afwijking van het geldende planologische regime gedeeltelijk buiten de bouwvlakken bouwen, gedeeltelijk de maximale bouwhoogte overschrijden en een halfverdiepte fietsenkelder bouwen. Het binnenterrein wordt vergroend. Het college heeft voor het bouwplan een omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2 van de Wabo in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.
[appellant] is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Hij woont aan de [locatie], naast de school. Volgens hem leidt het nieuwe schoolcomplex tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat terwijl er alternatieven zijn.
Overleg in de ontwerpfase
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de wijze waarop met [appellant] is gecommuniceerd in de fase waarin het bouwplan werd ontworpen geen reden vormde om de omgevingsvergunning te weigeren. Hij wijst er daarbij op dat aanvankelijk tegen hem is gezegd dat het bouwplan binnen het geldende planologische regime past. Pas laat in het proces bleek dat het bouwplan daarvan afwijkt. Als hem dat eerder was gezegd, had hij eerder kunnen meedenken over alternatieven.
4.1. De voorzieningenrechter overweegt dat deze grond zo goed als een herhaling is van wat [appellant] in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op deze grond ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de gemotiveerde beoordeling van deze grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig is. De voorzieningenrechter kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank over deze grond en in de onder 15 en 16 van de aangevallen uitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
Mocht het college het bouwplan van MLA ruimtelijk aanvaardbaar achten?
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het bouwplan ruimtelijk aanvaardbaar heeft mogen achten. Volgens hem zal het nieuwe schoolcomplex namelijk leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het uitzicht en de lichtinval aan de achterzijde van zijn woning. Ook vreest [appellant] voor een toename van overlast als gevolg van het bouwplan. De entree van de halfverdiepte fietsenkelder komt volgens het bouwplan naast zijn woning te liggen. In de oude situatie stalden de scholieren hun fiets op het binnenterrein van de school. De poort tot het binnenterrein lag in de oude situatie naast de woning van [appellant]. Hij heeft toegelicht dat hij in die situatie ook al overlast ondervond van leerlingen die op de stoep moesten wachten voordat zij door de poort konden gaan. Hij vreest dat deze overlast toeneemt, omdat de poort wordt vervangen door een keldertrap naar de halfverdiepte fietsenkelder. Daardoor moeten scholieren volgens [appellant] langer op de stoep wachten dan in de oude situatie, wat tot meer overlast zal leiden. Het college heeft volgens hem dan ook onvoldoende rekening gehouden met zijn belangen.
5.1. De rechtbank was van oordeel dat het college het bouwplan van MLA ruimtelijk aanvaardbaar heeft mogen achten.
Wat betreft de gevolgen voor het uitzicht en de lichtinval heeft de rechtbank van belang geacht dat er in de oude situatie vanaf de begane grond en het balkon van de woning van [appellant] niet of nauwelijks sprake was van vrij uitzicht en dat in een stedelijke omgeving geen recht is op een blijvend vrij uitzicht. Verder achtte de rechtbank van belang dat [appellant] in de nieuwe situatie tegen een hogere muur aankijkt, maar dat die muur wel op een grotere afstand staat dan in de oude situatie.
Wat betreft de entree van de halfverdiepte fietsenkelder heeft de rechtbank van belang geacht dat in de oude situatie ook sprake was van aanloop van scholieren met hun fiets naast de woning van [appellant]. Weliswaar bestaat de kans dat [appellant] enige overlast kan ondervinden van scholieren die niet allemaal tegelijk de fietsenkelder in kunnen, maar volgens de rechtbank leidt een halfverdiepte fietsenkelder tot minder overlast dan een fietsenstalling op het binnenterrein. De rechtbank achtte ook van belang dat er in de nieuwe situatie aanmerkelijk minder scholieren zijn dan in de oude situatie.
5.2. De voorzieningenrechter overweegt dat deze grond zo goed als een herhaling is van wat [appellant] in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op deze grond ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de gemotiveerde beoordeling van deze grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig is. De voorzieningenrechter kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank over deze grond en in de onder 24 tot en met 26 van de aangevallen uitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De voorzieningenrechter voegt daaraan nog het volgende toe. [appellant] heeft op de zitting aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat de fietsenstalling op het binnenterrein tot overlast leidde. Dat [appellant] stelt daarvan geen overlast te hebben ondervonden, neemt niet weg dat het aannemelijk is dat andere omwonenden daarvan wel geluidoverlast konden ondervinden, zoals namens het college en MLA op de zitting is verklaard. De scholieren zullen namelijk bij de fietsenstalling op het binnenterrein hebben rondgehangen en daar met elkaar hebben gesproken. Het college moest ook rekening houden met de belangen van andere omwonenden en het belang bij vergroening van het binnenterrein.
Het betoog slaagt niet.
Is er een alternatief waarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren?
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is dat er een alternatief is waarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Volgens hem heeft het college de alternatieven die hij in de bezwaarfase naar voren heeft gebracht niet goed afgewogen en heeft de rechtbank dat ten onrechte niet onderkend. [appellant] heeft verder gewezen op het zogeheten plan 2.0. In dat alternatief is de entree van de fietsenkelder gesitueerd aan de Ruysdaelstraat en komt er geen entreegebouw in de Pieter de Hoochstraat waardoor [appellant] niet met een hoge muur naast zijn woning wordt geconfronteerd. Volgens [appellant] geeft ook MLA de voorkeur aan dit alternatief.
Conclusie
6.2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
6.3. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.
w.g. De Groot
voorzieningenrechter
w.g. Van Driel Kluit
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 december 2024
703
Inleiding
202404915/1/R1 en 202404915/2/R1.
Datum uitspraak: 6 december 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend in Amsterdam,
appellanten,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 27 juni 2024 in zaak nr. 23/4496 en 24/1815 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 19 januari 2023 heeft het college aan het Montessori Lyceum Amsterdam (hierna: MLA) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen/verbouwen van 2 schoolgebouwen inclusief 3 sportzalen op de locatie Pieter de Hoochstraat 59 in Amsterdam.
Bij besluit van 8 juni 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft [appellant] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college en MLA hebben schriftelijke uiteenzettingen ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 november 2024, waar [appellant], bij monde van [appellant B], bijgestaan door [gemachtigde] en mr. N.M. Dik en mr. B.B. van Vliet, beiden advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. C. Vos en M.G. Spiegelenburg, zijn verschenen. Voorts is ter zitting MLA, vertegenwoordigd door drs. A. van Steenis, ir. B. van der Klij en ir. N. Hakenberg, bijgestaan door mr. F.P. van Galen, advocaat te Leiden, als partij gehoord.
Overwegingen
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Overgangsrecht Omgevingswet
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 16 juni 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
3. MLA wil haar schoolcomplex aan de Pieter de Hoochstraat 59 in Amsterdam vernieuwen. De aanleiding daarvoor is volgens MLA dat de aangescherpte visie op onderwijs en de bijbehorende werkwijze op dit moment onvoldoende is in te passen in de huidige gebouwen. Daarnaast is een deel van de gebouwen in een zodanig matige technische staat, dat ingrijpen noodzakelijk is om het comfort en de veiligheid voor leerlingen en medewerkers te waarborgen. MLA wil in afwijking van het geldende planologische regime gedeeltelijk buiten de bouwvlakken bouwen, gedeeltelijk de maximale bouwhoogte overschrijden en een halfverdiepte fietsenkelder bouwen. Het binnenterrein wordt vergroend. Het college heeft voor het bouwplan een omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2 van de Wabo in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.
[appellant] is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Hij woont aan de [locatie], naast de school. Volgens hem leidt het nieuwe schoolcomplex tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat terwijl er alternatieven zijn.
Overleg in de ontwerpfase
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de wijze waarop met [appellant] is gecommuniceerd in de fase waarin het bouwplan werd ontworpen geen reden vormde om de omgevingsvergunning te weigeren. Hij wijst er daarbij op dat aanvankelijk tegen hem is gezegd dat het bouwplan binnen het geldende planologische regime past. Pas laat in het proces bleek dat het bouwplan daarvan afwijkt. Als hem dat eerder was gezegd, had hij eerder kunnen meedenken over alternatieven.
4.1. De voorzieningenrechter overweegt dat deze grond zo goed als een herhaling is van wat [appellant] in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op deze grond ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de gemotiveerde beoordeling van deze grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig is. De voorzieningenrechter kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank over deze grond en in de onder 15 en 16 van de aangevallen uitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
Mocht het college het bouwplan van MLA ruimtelijk aanvaardbaar achten?
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het bouwplan ruimtelijk aanvaardbaar heeft mogen achten. Volgens hem zal het nieuwe schoolcomplex namelijk leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het uitzicht en de lichtinval aan de achterzijde van zijn woning. Ook vreest [appellant] voor een toename van overlast als gevolg van het bouwplan. De entree van de halfverdiepte fietsenkelder komt volgens het bouwplan naast zijn woning te liggen. In de oude situatie stalden de scholieren hun fiets op het binnenterrein van de school. De poort tot het binnenterrein lag in de oude situatie naast de woning van [appellant]. Hij heeft toegelicht dat hij in die situatie ook al overlast ondervond van leerlingen die op de stoep moesten wachten voordat zij door de poort konden gaan. Hij vreest dat deze overlast toeneemt, omdat de poort wordt vervangen door een keldertrap naar de halfverdiepte fietsenkelder. Daardoor moeten scholieren volgens [appellant] langer op de stoep wachten dan in de oude situatie, wat tot meer overlast zal leiden. Het college heeft volgens hem dan ook onvoldoende rekening gehouden met zijn belangen.
5.1. De rechtbank was van oordeel dat het college het bouwplan van MLA ruimtelijk aanvaardbaar heeft mogen achten.
Wat betreft de gevolgen voor het uitzicht en de lichtinval heeft de rechtbank van belang geacht dat er in de oude situatie vanaf de begane grond en het balkon van de woning van [appellant] niet of nauwelijks sprake was van vrij uitzicht en dat in een stedelijke omgeving geen recht is op een blijvend vrij uitzicht. Verder achtte de rechtbank van belang dat [appellant] in de nieuwe situatie tegen een hogere muur aankijkt, maar dat die muur wel op een grotere afstand staat dan in de oude situatie.
Wat betreft de entree van de halfverdiepte fietsenkelder heeft de rechtbank van belang geacht dat in de oude situatie ook sprake was van aanloop van scholieren met hun fiets naast de woning van [appellant]. Weliswaar bestaat de kans dat [appellant] enige overlast kan ondervinden van scholieren die niet allemaal tegelijk de fietsenkelder in kunnen, maar volgens de rechtbank leidt een halfverdiepte fietsenkelder tot minder overlast dan een fietsenstalling op het binnenterrein. De rechtbank achtte ook van belang dat er in de nieuwe situatie aanmerkelijk minder scholieren zijn dan in de oude situatie.
5.2. De voorzieningenrechter overweegt dat deze grond zo goed als een herhaling is van wat [appellant] in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op deze grond ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de gemotiveerde beoordeling van deze grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig is. De voorzieningenrechter kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank over deze grond en in de onder 24 tot en met 26 van de aangevallen uitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De voorzieningenrechter voegt daaraan nog het volgende toe. [appellant] heeft op de zitting aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat de fietsenstalling op het binnenterrein tot overlast leidde. Dat [appellant] stelt daarvan geen overlast te hebben ondervonden, neemt niet weg dat het aannemelijk is dat andere omwonenden daarvan wel geluidoverlast konden ondervinden, zoals namens het college en MLA op de zitting is verklaard. De scholieren zullen namelijk bij de fietsenstalling op het binnenterrein hebben rondgehangen en daar met elkaar hebben gesproken. Het college moest ook rekening houden met de belangen van andere omwonenden en het belang bij vergroening van het binnenterrein.
Het betoog slaagt niet.
Is er een alternatief waarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren?
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is dat er een alternatief is waarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Volgens hem heeft het college de alternatieven die hij in de bezwaarfase naar voren heeft gebracht niet goed afgewogen en heeft de rechtbank dat ten onrechte niet onderkend. [appellant] heeft verder gewezen op het zogeheten plan 2.0. In dat alternatief is de entree van de fietsenkelder gesitueerd aan de Ruysdaelstraat en komt er geen entreegebouw in de Pieter de Hoochstraat waardoor [appellant] niet met een hoge muur naast zijn woning wordt geconfronteerd. Volgens [appellant] geeft ook MLA de voorkeur aan dit alternatief.
Conclusie
6.2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
6.3. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.
w.g. De Groot
voorzieningenrechter
w.g. Van Driel Kluit
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 december 2024
703