Rechtspraak
Raad van State
2024-11-22
ECLI:NL:RVS:2024:4801
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
636 tokens
Inleiding
202406368/2/V1.
Datum uitspraak: 22 november 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 3 oktober 2024 in zaak nr. 24/12785 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa).
Procesverloop
Bij besluit van 26 juli 2024 heeft het COa een verzoek van de vreemdeling om hem over te plaatsen naar een opvangvoorziening voor minderjarigen, afgewezen.
Bij uitspraak van 3 oktober 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.A. Blaas, advocaat in 's-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat het COa hem binnen twee weken plaatst in een opvangvoorziening voor minderjarigen.
2. Het hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter bepaalt daarbij, gezien de betrokken belangen en de omstandigheden van het geval, de termijn van plaatsing op maximaal vier weken in plaats van de verzochte twee weken. Het COa moet de proceskosten vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat het COa de vreemdeling binnen vier weken in een opvangvoorziening voor minderjarigen plaatst, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II. veroordeelt het COa tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Gazai, griffier.
w.g. Kuijer
voorzieningenrechter
w.g. Gazai
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2024
966