Rechtspraak
Raad van State
2024-11-20
ECLI:NL:RVS:2024:4706
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
792 tokens
Inleiding
202403137/1/V3.
Datum uitspraak: 20 november 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 13 mei 2024 in zaak nr. NL24.13301 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 22 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 13 mei 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I. Wudka, advocaat in Maastricht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De Afdeling ziet ambtshalve reden om de bewaring van meet af aan onrechtmatig te achten. De minister heeft de vreemdeling namelijk ten onrechte in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. In de uitspraak van 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4292, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister Oekraïners die een beroep doen op de Richtlijn 2001/55/EG (de Richtlijn tijdelijke bescherming) niet op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 in grensdetentie mag plaatsen. De vreemdeling heeft de Oekraïense nationaliteit en heeft een beroep gedaan op die richtlijn. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, mocht hij dus niet in grensdetentie worden geplaatst. Het is daarom niet nodig wat de vreemdeling heeft aangevoerd te bespreken.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 13 mei 2024 in zaak nr. NL24.13301;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 500,00 over de periode van 22 maart 2024 tot en met 26 maart 2024, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.750,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2024
47-1086