Rechtspraak
Raad van State
2024-11-13
ECLI:NL:RVS:2024:4590
Bestuursrecht
Hoger beroep
794 tokens
Inleiding
202402552/1/A2.
Datum uitspraak: 13 november 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 26 maart 2024 in zaak nr. 23/9352 in het geding tussen:
[appellante]
en
Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de CSG).
Procesverloop
Bij besluit van 18 april 2023 heeft de CSG de aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen.
Bij besluit van 4 augustus 2023 heeft de CSG het door [appellante] daartegen ingestelde bezwaar gegrond verklaard en aan haar een uitkering van € 2.500,- toegekend.
Bij uitspraak van 26 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Geschil
1. De CSG heeft aan [appellante] een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven toegekend van € 2.500,-. Dit bedrag komt overeen met een uitkering op grond van letselcategorie 2. [appellante] is het hier niet mee eens en vindt dat zij recht heeft op een uitkering op grond van letselcategorie 3.
2. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard.
Hoger beroep
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank veel woorden heeft gebruikt. Dit ziet zij als een teken dat anderen mogelijk denken dat zij ergens ook wel gelijk heeft. Als haar stellingname, inhoudende dat hetgeen haar is overkomen ook gemakkelijk in letselcategorie 3 geplaatst zou kunnen worden, als onzin beschouwd zou worden, zou er niet zo veel aandacht aan zijn gegeven. [appellante] handhaaft derhalve haar stellingname.
Beoordeling
4. De grond die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op deze grond ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van deze grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 3.4-3.7 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Ouwehand
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2024
752