Rechtspraak
Raad van State
2024-10-30
ECLI:NL:RVS:2024:4571
Bestuursrecht
Hoger beroep
1,009 tokens
Inleiding
202307694/1/A3.
Datum uitspraak: 30 oktober 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Oosterhout, gemeente Oosterhout,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 november 2023 in zaak nr. 23/2670 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Oosterhout.
Openbare zitting gehouden op 30 oktober 2024 om 13:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer
Griffiers: mr. Y. Soffner, mr. S. Langeveld-Mak, mr. K. Carvalho
Verschenen:
[appellant], vertegenwoordigd door mr. D.T. Stoof, advocaat te Breda;
De burgemeester van Oosterhout, vertegenwoordigd door mr. N. van Wijk.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 23 november 2023, waarin de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 14 april 2023 ongegrond heeft verklaard. In dat besluit heeft de burgemeester het bezwaar tegen de invorderingsbeschikking van 27 januari 2023 ongegrond verklaard.
Dictum
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden:
De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat de burgemeester terecht een invorderingsbeschikking heeft genomen wegens (herhaaldelijk) overtreden van artikel 2.74 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Oosterhout 2022 (APV).
De gronden die in hoger beroep zijn aangevoerd, zijn grotendeels zo goed als een herhaling van wat in beroep is aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de in rechtsoverweging 4.4 tot en met 4.7 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Verder heeft de gemachtigde van [appellant] in hoger beroep verwezen naar een arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch waaruit volgens hem volgt dat [appellant] voor hetzelfde feit op basis waarvan een overtreding van artikel 2.74 van de APV is vastgesteld, is vrijgesproken. Vooropgesteld moet worden dat in het bestuursrecht een andere bewijsmaatstaf geldt dan in het strafrecht waar voor een veroordeling sprake moet zijn van wettig en overtuigend bewijs. Een vrijspraak hoeft niet zonder meer aan het oordeel van een bestuursorgaan af te doen, bijvoorbeeld als de vrijspraak ongemotiveerd is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4143, nr. 4.2.). In dit geval is de vrijspraak niet gemotiveerd. Uit het arrest blijkt niet dat [appellant] artikel 2.74 van de APV niet heeft overtreden. De strafrechtelijke vrijspraak ziet bovendien op tenlastegelegde overtredingen van de Opiumwet, te weten, kort gezegd het vervoeren van en de handel in drugs, die niet hetzelfde verbiedt als artikel 2.74 van de APV. Dit artikel ziet op handhaving van de openbare orde en verbiedt, onverminderd het bepaalde in de Opiumwet, ook het ophouden op een openbare plek met het kennelijke doel om in drugs te handelen.
Daarnaast volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1958) dat een strafrechtelijke vrijspraak niet zonder meer tot gevolg heeft dat geen bestuursrechtelijke sancties kunnen worden toegepast voor datzelfde feit. In dit geval heeft de burgemeester op basis van de bestuurlijke rapportage van 8 januari 2023, waarvan de inhoud niet door [appellant] wordt betwist, aannemelijk gemaakt dat [appellant] artikel 2.74 van de APV wederom heeft overtreden. Dit heeft tot gevolg dat [appellant] de dwangsom heeft verbeurd. De burgemeester heeft daarom terecht de invorderingsbeschikking genomen.
Het hoger beroep is ongegrond.
De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Soffner
griffier
818-1121