Rechtspraak
Raad van State
2024-10-23
ECLI:NL:RVS:2024:4245
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
685 tokens
Inleiding
202204257/1/V2.
Datum uitspraak: 23 oktober 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kind,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 14 juli 2022 in zaken nrs. NL21.7652 en NL21.7653 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 11 mei 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 14 juli 2022 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. D.W. Beemers, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven. De vreemdelingen hebben daarop gereageerd.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. De Afdeling heeft bij de beoordeling van het hoger beroep niet het door de minister gewijzigde landenbeleid over Pakistan van 1 juli 2024 betrokken. Daarin heeft de minister journalisten en mensenrechtenverdedigers als risicoprofiel aangemerkt. Voorheen merkte de minister als risicogroep slechts journalisten en mensenrechtenverdedigers aan die significante kritiek hebben geuit op de autoriteiten. Indien de vreemdelingen willen dat het gewijzigde landenbeleid over Pakistan wordt betrokken in de beoordeling of zij recht hebben op asiel, zullen zij daartoe nieuwe aanvragen moeten indienen. Het hoger beroep in deze procedure leent zich daar immers niet voor, omdat de wijziging dateert van na de uitspraak van de rechtbank.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2024
853-1024