Rechtspraak
Raad van State
2024-10-09
ECLI:NL:RVS:2024:4196
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
474 tokens
Inleiding
202302201/1/A3.
Datum uitspraak: 9 oktober 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 3 maart 2023 in zaak nr. 21/5587 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Defensie.
Openbare zitting gehouden op 9 oktober 2024 om 12:15 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. W. den Ouden, voorzitter
Griffier: mr. F.B. van der Maesen de Sombreff
Jurist: mr. R.F.I de Lange
Verschenen:
De minister, vertegenwoordigd door F. Eftekhari.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 maart 2023, waarin de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van de minister van 11 november 2021 ongegrond heeft verklaard. In dat besluit heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 4 juni 2021, waarbij is beslist op het verzoek van [appellant] om inzage van zijn persoonsgegevens, ongegrond verklaard.
Motivering
- De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de minister het verzoek van [appellant] heeft mogen aanmerken als een verzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming.
- De rechtbank is er terecht van uitgegaan dat - anders dan [appellant] betoogt -de minister in het besluit van 4 juni 2021 heeft beslist op het verzoek.
- In wat [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat dat besluit rechtens onjuist zou zijn. De Afdeling volgt hierin de uitspraak van de rechtbank.
- Het hoger beroep is ongegrond.
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Maesen de Sombreff
griffier
190-1114