Rechtspraak
Raad van State
2024-10-15
ECLI:NL:RVS:2024:4131
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
819 tokens
Inleiding
202406223/1/V3 en 202406223/2/V3.
Datum uitspraak: 15 oktober 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 1 oktober 2024 in zaak nr. NL24.33538 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 26 augustus 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 1 oktober 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.I. Siers, advocaat in Nijmegen, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De twee grieven van de vreemdeling over het oordeel van de rechtbank over het risico op pushbacks bij teruggekeerde Dublinclaimanten en de toegang tot opvang in Kroatië leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Die grieven gaan in zoverre namelijk over rechtsvragen die eerder door de Afdeling zijn beantwoord (uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037, onder 5.3 tot en met 6.1, over het risico op pushbacks bij teruggekeerde Dublinclaimanten en de toegang tot opvang in Kroatië).
2. In zijn tweede grief klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank de pleitnota van de minister die hij had ingediend in de hogerberoepsprocedure die heeft geleid tot de uitspraak van 9 oktober 2024 ambtshalve bij haar oordeel heeft betrokken, zonder hem de gelegenheid te geven op de inhoud van die pleitnota te reageren. Weliswaar is daarmee het beginsel van hoor en wederhoor geschonden, maar nu dit niet tot een andere uitkomst kan leiden, gelet op wat onder 1. is overwogen, leidt dit niet tot een gegrond hoger beroep. De Afdeling ziet daarin wel aanleiding om te bepalen dat de proceskosten van de vreemdeling worden vergoed.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.625,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. De Poorter
voorzieningenrechter
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2024
47