Rechtspraak
Raad van State
2024-10-02
ECLI:NL:RVS:2024:3990
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,338 tokens
Inleiding
202302927/1/R1
Datum uitspraak: 2 oktober 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Egmond aan den Hoef, gemeente Bergen (NH),
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH),
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 28 maart 2023 heeft het college onder meer locatie AH137 (hierna: de aangewezen locatie) aan de Egmonderstraatweg ter hoogte van [locatie 1] en [locatie 2] aangewezen als clusterplaats voor het plaatsen van rolcontainers ten behoeve van huishoudelijk afval.
Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 augustus 2024, waar het college, vertegenwoordigd door M. Engel, M. Kruit en R. van Ovost, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant A] en [appellant B] wonen aan de [locatie 1]. De aangewezen locatie bevindt zich dus gedeeltelijk ter hoogte van hun perceel. Zij zijn het niet eens met het besluit van het college, omdat het opstellen van rolcontainers op de aangewezen locatie volgens hen het gebruik van hun inrit bemoeilijkt en een gevaarlijke verkeerssituatie veroorzaakt. Daarnaast bestaan er volgens [appellant A] en [appellant B] alternatieve locaties die geschikter zijn. De aangewezen locatie moet worden opgeheven of ten minste worden verkleind tot een locatie voor maximaal drie containers, zo betogen zij.
Toetsingskader
2. Bij de keuze van een locatie voor een clusterplaats moet het college een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het aanwijzingsbesluit. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor de aanwijzing van de clusterplaats.
3. Bij het aanwijzen van een locatie voor een clusterplaats hanteert het college locatiecriteria, die zijn neergelegd in de "Nadere regels inzameling huishoudelijke afvalstoffen Bergen 2022" (hierna: beleidsregels).
Geschiktheid van de locatie
4. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de aangewezen locatie niet geschikt is als clusterplaats, omdat zij niet meer veilig kunnen inparkeren op hun inrit wanneer de rolcontainers op de aangewezen locatie staan. Daarnaast hebben zij aangevoerd dat de aangewezen locatie te dicht bij de kruising van de Egmonderstraatweg en het Delverspad (hierna: het kruispunt) ligt, waardoor een onveilige verkeerssituatie ontstaat. Zij stellen in dit verband dat de aangewezen locatie niet voldoet aan locatiecriteria 1.3, 4.2 en 5.1 tot en met 5.9 van de beleidsregels.
4.1. Het college geeft in het verweerschrift aan dat een verkeerskundige de mogelijkheid tot achteruit inparkeren op de inrit en de verkeersveiligheid op het kruispunt heeft beoordeeld. Uit deze beoordeling komt naar voren dat er voldoende ruimte is om vanaf de rijbaan achteruit in te parkeren op de inrit wanneer er rolcontainers op de aangewezen locatie staan. Daarnaast heeft de verkeerskundige geconcludeerd dat de aanwijzing van de clusterplaats geen gevaarlijke situatie op het kruispunt veroorzaakt.
4.2. De Afdeling is van oordeel dat het college de aangewezen locatie in overeenstemming heeft mogen achten met de locatiecriteria. Zij zal hierna toelichten hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
4.3. De door [appellant A] en [appellant B] aangehaalde locatiecriteria luiden als volgt:
"1.3) De clusterplaats bevindt zich niet voor een inrit, carport of garage
4.2) De clusterplaats is zodanig gesitueerd dat voetgangers en rolstoelgebruikers hier zo min mogelijk hinder van ondervinden
5.1) Er ligt bij voorkeur geen vrij-liggend fietspad tussen de clusterplaats en het inzamelvoertuig
5.2) De clusterplaats is zodanig gesitueerd dat het inzamelvoertuig daar veilig kan stoppen en werken
5.3) De clusterplaats is zodanig gesitueerd dat het zicht op verkeersborden, verkeerslichten en bewegwijzering niet wordt belemmerd wanneer het voertuig daar staat
5.4) De clusterplaats bevindt zich bij voorkeur niet ter hoogte van een bushalte of op een busbaan
5.5) De clusterplaats bevindt zich niet direct in een bocht, maar minimaal 2 meter vanaf het tangentpunt
5.6) De clusterplaats ligt bij voorkeur op minimaal 5 meter afstand van een zebrapad
5.7) De clusterplaats is zodanig gesitueerd dat gebruikers die wonen aan een drukke doorgaande weg zo weinig mogelijk de weg hoeven over te steken
5.8) De clusterplaats ligt niet naast een speelplek of deze moet voldoende afgeschermd zijn
5.9) De clusterplaats is vlak zodat de rolcontainers stabiel geplaatst kunnen worden".
4.4. Bij de behandeling van het beroep is gebleken dat de aangewezen locatie zich op enige afstand van de inrit van [locatie 1] bevindt. De aanwijzing van de aangewezen locatie is dus niet in strijd met locatiecriterium 1.3.
4.5. Voor zover [appellant A] en [appellant B] betogen dat de aangewezen locatie niet voldoet aan locatiecriterium 4.2, overweegt de Afdeling dat mede gezien de breedte van het trottoir ter plaatse niet is gebleken van een zodanig hinderlijke situatie voor voetgangers en rolstoelgebruikers dat het college deze locatie redelijkerwijs niet heeft kunnen aanwijzen.
4.6. Wat betreft de stelling van [appellant A] en [appellant B] dat de aangewezen locatie niet voldoet aan de onder categorie 5 genoemde locatiecriteria over veiligheid, stelt de Afdeling voorop dat de aangewezen locatie niet in strijd is met locatiecriteria 5.3 tot en met 5.9. Rondom de aangewezen locatie bevinden zich namelijk geen bushaltes, busbanen, bochten, voetgangersoversteekplaatsen, speelplaatsen of hellende vlakken. Bovendien hoeven bewoners geen drukke, doorgaande weg over te steken om de clusterplaats te bereiken en vormen de rolcontainers geen obstakel voor het zicht op een verkeersbord, verkeerslichten of bewegwijzering.
Daarnaast overweegt de Afdeling dat de aanwijzing van de locatie niet in strijd kan zijn met locatiecriterium 5.1, omdat ter hoogte van de aangewezen locatie geen sprake is van een vrijliggend fietspad. Bij gebreke van een omschrijving van dat begrip in de locatiecriteria moet dit worden uitgelegd aan de hand van het maatschappelijk spraakgebruik. In dat verband is van belang dat in het woordenboek van Van Dale (de zogenoemde Dikke Van Dale) de term ‘vrijliggend’ als volgt staat gedefinieerd: "geheel afgescheiden van de rijbaan voor gemotoriseerd verkeer". Daarbij wordt "een vrijliggend fietspad" als voorbeeld gegeven. Ter hoogte van de aangewezen locatie ligt een fietsstrook direct tegen de hoofdrijbaan aan met daartussen een onderbroken streep. Verder zijn er diverse inritten waarbij de fietsstrook aansluit op de hoofdrijbaan zonder tussenliggende obstakels.
Tot slot is er geen grond voor het oordeel dat het inzamelvoertuig ter hoogte van de aangewezen locatie niet veilig kan stoppen en het personeel er niet veilig kan werken. Dit betekent dat ook niet is gebleken dat het aanwijzingsbesluit in strijd is met locatiecriterium 5.2. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de aangewezen locatie zich bevindt op het trottoir en het inzamelvoertuig zich tijdens het legen van de rolcontainers kan opstellen op de fietsstrook.
4.7. Anders dan [appellant A] en [appellant B] betogen, oordeelt de Afdeling dat de aanwezigheid van de clusterplaats het inparkeren niet zodanig bemoeilijkt dat het college deze locatie niet heeft mogen aanwijzen. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de toelichting van het college dat er voldoende ruimte is om vanaf de rijbaan achteruit in te parkeren op de inrit. Ook wanneer vanaf de fietsstrook wordt ingeparkeerd is de ruimte tussen de clusterplaats en de auto niet zodanig klein dat het inparkeren wordt bemoeilijkt. Daarbij is van belang dat de aangewezen clusterplaats niet pal naast de inrit ligt, maar dat er een tussenliggende ruimte resteert van een aantal meters.
4.8. In de vrees voor onveilige verkeerssituaties op het kruispunt ziet de Afdeling zonder nadere onderbouwing ook geen grond voor het oordeel dat de aangewezen locatie niet geschikt is.
4.9. Gelet op al het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college de aangewezen locatie niet geschikt heeft mogen achten.
Alternatieve locaties
5. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de bewoners van Delverspad 1, 2, 2A, 2Z en 3 (hierna: de bewoners van het Delverspad) hun rolcontainer beter kunnen plaatsen op clusterplaatsen AH138, AH205 of twee door hen voorgestelde, te creëren clusterplaatsen langs het Delverspad. Clusterplaats AH137 kan dan worden beperkt tot 2 of 3 containers.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2024
195-1126