Rechtspraak
Raad van State
2024-09-26
ECLI:NL:RVS:2024:3808
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
831 tokens
Inleiding
202305014/1/V1.
Datum uitspraak: 26 september 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 1 augustus 2023 in zaak nr. NL23.18822 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 1 augustus 2023 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Berger, advocaat in Zwolle, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 15 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van de vreemdeling ingewilligd.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Hoger beroep
1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van de vreemdeling tegen het niet tijdig nemen van het besluit, had de minister nog geen besluit genomen op zijn aanvraag van 3 december 2022. Dat heeft de minister bij het besluit van 15 januari 2024 wel gedaan. De vreemdeling heeft naar aanleiding van dat besluit de Afdeling meegedeeld het hoger beroep in te trekken met als voorwaarde dat zijn proceskosten worden vergoed. Zo’n voorwaardelijke intrekking van een rechtsmiddel kent de Awb niet. Uit de tekst van de reactie van de vreemdeling blijkt dat het niet gaat om de situatie dat het hoger beroep is ingetrokken met een gelijktijdig verzoek om vergoeding van proceskosten. Wat de vreemdeling aanvoert, schept geen belang voor het beoordelen van zijn hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Op de door de Afdeling in de uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, gestelde prejudiciële vragen heeft het Hof van Justitie nog geen antwoord gegeven. De Afdeling is, gelet op wat zij in de hiervoor genoemde uitspraak onder 22 tot en met 25 heeft overwogen, van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn rechtmatig met negen maanden heeft verlengd. De minister heeft binnen vijftien maanden na indiening van de aanvraag een besluit genomen. De minister hoeft daarom geen proceskosten te vergoeden.
Het besluit van 15 januari 2024
3. De minister is in het besluit van 15 januari 2024 geheel aan de aanvraag van de vreemdeling tegemoetgekomen. De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld om te reageren en daarop heeft hij niet meegedeeld dat hij zich niet met dat besluit kan verenigen. Gelet hierop is geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, ontstaan waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2024
966