Rechtspraak
Raad van State
2024-08-26
ECLI:NL:RVS:2024:3528
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
1,010 tokens
Inleiding
202200244/1/R3.
Datum uitspraak: 26 augustus 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant A], wonend in Den Haag, Stichting Historisch Erfgoed, Vastcon Vastgoed B.V. en Stichting Vastgoed Pensioen, alle gevestigd in Den Haag,
[appellant B], wonend in Den Haag,
appellanten,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 24 november 2021 in zaak nrs. 21/5837 en 21/7149 en tegen de uitspraak van 24 november 2021 van diezelfde voorzieningenrechter in zaak nr. 21/7150 in de gedingen tussen:
[appellant A]
en
[appellant B];
het college, vertegenwoordigd door mr. drs. M. Louwe;
Patrizia Den Haag 3 Coöperatief U.A., vertegenwoordigd door mr. A. Franken van Bloemendaal, advocaat te Amsterdam en [gemachtigden]
De hoger beroepen richten zich tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter in zaken nrs. 21/5837 en 21/7149 over een aan Patrizia Den Haag 3 Coöperatief op 21 december 2020 verleende omgevingsvergunning, die bij besluit van 5 augustus 2021 in stand is gebleven, en tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter in zaak nr. 21/7150 over een op 25 oktober 2021 aan Patrizia Den Haag 3 Coöperatief verleende omgevingsvergunning.
De Afdeling
I. verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de hoger beroepen tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 24 november 2021 in zaak nr. 21/7149 en tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 24 november 2021 in zaak nr. 21/7150;
II. verklaart het hoger beroep van Stichting Historisch Erfgoed, Vastcon Vastgoed B.V. en Stichting Vastgoed Pensioen, en het hoger beroep van [appellant B] niet-ontvankelijk;
III. bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden:
Zaken nrs. 21/7149 en 21/7150
Bevoegdheid
1. [appellant A] en anderen en [appellant B] hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de voorzieningenrechter in zaken nrs. 21/7149 en 21/7150. De voorzieningenrechter heeft in die zaken uitspraak gedaan op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening hangende beroep onderscheidenlijk hangende bezwaar.
1.1. Op grond van het bepaalde in artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb staat tegen deze uitspraken geen hoger beroep open. Dit betekent dat de Afdeling niet bevoegd is kennis te nemen van de hoger beroepen voor zover die zijn gericht tegen deze uitspraken.
Zaak nr. 21/5837
Ontvankelijkheid
2. [appellant A] heeft hoger beroep ingesteld namens Stichting Historisch Erfgoed, Vastcon Vastgoed en Stichting Vastgoed Pensioen. Deze rechtspersonen hebben echter geen beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 5 augustus 2021. Ook [appellant B] heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 5 augustus 2021.
2.1. Gelet op artikel 6:13 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, moet het hoger beroep van [appellant A], voor zover ingesteld door voormelde rechtspersonen, en het hoger beroep van [appellant B], niet-ontvankelijk worden verklaard.
Overwegingen
3. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat [appellant A] geen belanghebbende is bij het besluit van 21 december 2020 en het college daarom haar bezwaar tegen dat besluit niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat [appellant A] weliswaar enig zicht heeft op het vergunde bouwplan, maar dat gelet op de afstand van ongeveer 110 m tussen haar woning en het perceel waarop het bouwplan betrekking heeft, en de daartussen liggende bebouwing en vegetatie, het zicht dermate gering is dat gevolgen van enige betekenis ontbreken.
Proceskosten
4. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pieters
griffier
473