Rechtspraak
Raad van State
2024-08-05
ECLI:NL:RVS:2024:3166
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
721 tokens
Inleiding
202101701/1/V3.
Datum uitspraak: 5 augustus 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1], [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 8 maart 2021 in zaken nrs. 20/3372 en 20/3373 in het geding tussen:
de vreemdelingen en referent
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 juni 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluiten van 2 april 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen en referent gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 maart 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen en referent ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen en referent, vertegenwoordigd door mr. J. Eliya, advocaat te Hengelo, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft over de broer van referent die ten tijde van de aanvragen minderjarig was, terecht overwogen dat de minister geen positieve verplichting heeft op grond van artikel 8 van het EVRM om hem in Nederland verblijf toe te staan. Weliswaar bestaat er een objectieve belemmering om het gezinsleven in Irak uit te oefenen, maar dit weegt niet op tegen de belangen van de Nederlandse Staat bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. De vreemdelingen hebben namelijk niet aannemelijk gemaakt dat deze broer afhankelijk is van referent en zich in Irak bij hun andere broer en zussen niet staande kan houden. Over de broer van referent die ten tijde van de aanvragen meerderjarig was, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Dijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2024
967