Rechtspraak
Raad van State
2024-01-11
ECLI:NL:RVS:2024:296
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
686 tokens
Inleiding
202304688/1/A3 en 202304688/2/A3.
Datum uitspraak: 11 januari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van de Awb, op het hoger beroep van:
[verzoeker A] en [verzoeker B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), beiden wonend te [woonplaats],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 juni 2023 in zaak nr. 22/6275 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Openbare zitting gehouden op 11 januari 2024 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. N. Verheij, voorzieningenrechter
griffier: mr. S.R. Renkema
Verschenen:
[verzoeker B], bijgestaan door mr. S.C.M. Suijkerbuijk, advocaat te Spijkenisse, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman en mr. C.W. de Jong.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 9 juni 2023 van de rechtbank Rotterdam. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Dictum
De voorzieningenrechter
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Gronden:
In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
[verzoeker] heeft vaker aanvragen gedaan voor het innemen van een standplaats ten behoeve van een loempiakraam op het Binnenwegplein te Rotterdam. Op 9 september 2022 heeft [verzoeker] wederom een aanvraag ingediend voor een standplaats op dezelfde locatie. Omdat [verzoeker] geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, heeft het college deze aanvraag afgewezen. Ter zitting bij de Afdeling heeft [verzoeker] niet aannemelijk kunnen maken dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het college heeft dan ook terecht de aanvraag van [verzoeker] afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb. De rechtbank heeft dus terecht het beroep ongegrond verklaard. De Afdeling zal daarom de uitspraak van de rechtbank bevestigen. Om die reden bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daarom zal de Afdeling afwijzen. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Verheij
voorzieningenrechter
w.g. Renkema
griffier
1071