Rechtspraak
Raad van State
2024-07-15
ECLI:NL:RVS:2024:2866
Bestuursrecht
727 tokens
Dictum
[appellant], wonend in [woonplaats/land],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 mei 2022 in zaak nr. 21/1747 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 mei 2022 in zaak nr. 21/1747. Het geding gaat over de afwijzing van een paspoort.
De minister heeft een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.
Het betreft een rapport van nader gehoor met correcties en aanvullingen en een persoonslijst.
[appellant] heeft een reactie op het verzoek ingediend.
Overwegingen
1. De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen. De gedingstukken bevatten persoonsgegevens over een persoon. De minister vindt dat die informatie moet worden beschermd.
2. [appellant] gaat akkoord met de toepassing van artikel 8:29 van de Awb op deze stukken.
3. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
4. De Afdeling heeft kennisgenomen van de stukken. Zij stelt vast dat deze informatie bevatten over een persoon. [appellant] stelt deze persoon te zijn, maar de minister weerspreekt dat. Dit geschilpunt moet in de bodemzaak worden beantwoord. Of de informatie uit de gedingstukken persoonsgegevens van [appellant] zijn, kan dus in deze fase niet met zekerheid worden vastgesteld. Onder deze omstandigheden weegt het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de persoon om wie het gaat zwaarder dan het belang van [appellant] om kennis te nemen van de informatie.
5. De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.
w.g. Van den Biggelaar
lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer
w.g. Van Tuyll van Serooskerken
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2024
290