Rechtspraak
Raad van State
2024-07-02
ECLI:NL:RVS:2024:2863
Bestuursrecht
Hoger beroep
808 tokens
Inleiding
202304696/1/A2
Datum uitspraak: 2 juli 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 mei 2023 in zaak nr. 22/2972 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Dienst Wegverkeer (hierna: RDW)
Openbare zitting gehouden op 2 juli 2024 om 11:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.M. Willems
Griffier: mr. O. van Loon
Jurist: mr. A.J.Q. Oskam
Verschenen:
[appellant];
RDW, vertegenwoordigd door mr. M. Arends.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 30 mei 2023 van de rechtbank Noord-Holland.
Motivering
De achtergrond van dit geschil is de inschrijving van een auto van [appellant] in het kentekenregister. Zijn auto is ingeschreven met een grijs in plaats van met een geel kenteken, en [appellant] heeft op de zitting bij de Afdeling aangegeven zich hierin te kunnen vinden. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] zijn onvrede verwoord over de procedure bij RDW en de rechtbank. Hij betoogt dat RDW zijn vraag over waarom andere bestelauto’s wel een geel kenteken hebben gekregen niet heeft beantwoord. Ook stelt hij dat de rechtbank heeft verzuimd hem stukken door te sturen.
[appellant] voert in hoger beroep aan dat in zijn dossier stukken ontbreken die de rechtbank hem had moeten doorsturen. In zijn hoger beroepschrift heeft hij vier stukken genoemd, waaronder het verweerschrift in beroep. De Afdeling constateert dat [appellant] het verweerschrift van RDW in elk geval tijdens de zitting bij de rechtbank heeft ontvangen en daarop na een leespauze inhoudelijk heeft gereageerd. De Afdeling stelt vast dat [appellant] door deze gang van zaken niet in een belang is geschaad. Weliswaar geeft [appellant] aan meer stukken te missen, maar hij heeft ook daarover niet aannemelijk gemaakt dat hij daardoor in een belang is geschaad. De inhoud van de brief van RDW van 18 januari 2023, die hij niet gehad zou hebben, is gelijk aan de brief van 8 februari 2023, waarop hij schriftelijk heeft gereageerd en die de rechtbank heeft betrokken. Op de zitting heeft hij nog andere stukken genoemd. De Afdeling gaat daaraan voorbij. Hierbij is van belang dat [appellant] geen andere uitkomst van de besluitvorming beoogt. Wat ook van de gang van zaken ten aanzien van de dossierstukken zij, materieel gezien had dit dus niet tot een andere uitkomst geleid. Het betoog slaagt niet.
Verder stelt [appellant] dat RDW een dwangsom heeft verbeurd door niet tijdig te beslissen op zijn bezwaar. Wat [appellant] hierover in hoger beroep aanvoert is zo goed als een herhaling van zijn beroep bij de rechtbank. De rechtbank is hier gemotiveerd op in gegaan. De Afdeling is het eens met het oordeel van de rechtbank en de motivering daarvan, onder overwegingen 6.2 en 6.3 dat er in de kern op neerkomt dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij RDW in gebreke heeft gesteld.
Het hoger beroep is ongegrond. RDW hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
284-1067