Rechtspraak
Raad van State
2024-07-10
ECLI:NL:RVS:2024:2787
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
1,712 tokens
Inleiding
202403903/1/V2 en 202403903/2/V2.
Datum uitspraak: 10 juli 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 juni 2024 in zaak nr. NL23.13511 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 6 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 18 juni 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.T.W. van Dijk, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft nader stukken ingediend.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Anders dan de vreemdeling in zijn vijfde grief betoogt, heeft de rechtbank terecht niet haar eigen waarnemingen betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid en ook bij de bepaling van het risico of eventueel een seksuele gerichtheid toegedicht zal worden. De rechtbank mag net zo min als de minister haar oordeel over de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid baseren op stereotypen of uiterlijkheden. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2170, onder 6.4 en het arrest van het Hof van Justitie van 2 december 2014, A, B en C, ECLI:EU:C:2014:2406. Bovendien geldt dat de rechtbank moet toetsen of de minister een asielaanvraag met de in het besluit gegeven motivering heeft mogen afwijzen. De rechtbank neemt geen eigen standpunt in over de geloofwaardigheid van een asielmotief. Als de vreemdeling daadwerkelijk vreest dat hem bij terugkeer een seksuele gerichtheid wordt toegedicht, dan kan hij dat asielmotief aan een nieuwe asielaanvraag ten grondslag leggen en dat aannemelijk maken op basis van eigen ervaringen, zijn individuele omstandigheden en eventuele objectieve informatie.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift verder geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier.
w.g. Meijer
voorzieningenrechter
w.g. Van Kesteren
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2024
897-1048
Inleiding
202403903/1/V2 en 202403903/2/V2.
Datum uitspraak: 10 juli 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 juni 2024 in zaak nr. NL23.13511 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 6 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 18 juni 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.T.W. van Dijk, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft nader stukken ingediend.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Anders dan de vreemdeling in zijn vijfde grief betoogt, heeft de rechtbank terecht niet haar eigen waarnemingen betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid en ook bij de bepaling van het risico of eventueel een seksuele gerichtheid toegedicht zal worden. De rechtbank mag net zo min als de minister haar oordeel over de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid baseren op stereotypen of uiterlijkheden. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2170, onder 6.4 en het arrest van het Hof van Justitie van 2 december 2014, A, B en C, ECLI:EU:C:2014:2406. Bovendien geldt dat de rechtbank moet toetsen of de minister een asielaanvraag met de in het besluit gegeven motivering heeft mogen afwijzen. De rechtbank neemt geen eigen standpunt in over de geloofwaardigheid van een asielmotief. Als de vreemdeling daadwerkelijk vreest dat hem bij terugkeer een seksuele gerichtheid wordt toegedicht, dan kan hij dat asielmotief aan een nieuwe asielaanvraag ten grondslag leggen en dat aannemelijk maken op basis van eigen ervaringen, zijn individuele omstandigheden en eventuele objectieve informatie.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift verder geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier.
w.g. Meijer
voorzieningenrechter
w.g. Van Kesteren
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2024
897-1048