Rechtspraak
Raad van State
2024-07-02
ECLI:NL:RVS:2024:2671
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
618 tokens
Inleiding
202303870/1/V3
Datum uitspraak: 2 juli 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 23 mei 2023 in zaak nr. NL22.25165 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 10 november 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 23 mei 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.T.W. van Dijk, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit terecht in stand gelaten, omdat de staatssecretaris in zijn verweerschrift alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd dat het inreisverbod niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Anders dan de vreemdeling betoogt, heeft de staatssecretaris hem daarnaast in het gehoor voldoende gevraagd naar zijn familie in Nederland. De vreemdeling heeft daarin op meerdere momenten kunnen verklaren over zijn belangen in Nederland, waaronder zijn familiebanden, en daaruit volgde niet dat hem daardoor geen inreisverbod kon worden opgelegd.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Dijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2024
967