Rechtspraak
Raad van State
2024-06-17
ECLI:NL:RVS:2024:2463
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
628 tokens
Inleiding
202306868/1/V2.
Datum uitspraak: 17 juni 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 2 november 2023 in zaak nr. NL23.22263 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 1 augustus 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 2 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Selbach, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De grieven zijn namelijk gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat wat de vreemdeling heeft aangevoerd onvoldoende is om aan te tonen dat er sprake is van een evident en fundamenteel verschil in beschermingsbeleid, als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1864. De Afdeling heeft bij uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, overwogen dat de rechtspraak waar de vreemdeling zich op beroept, moet worden verlaten als gevolg van het arrest van het Hof van Justitie van 30 november 2023, Ministero dell’Interno, ECLI:EU:C:2023:934. Wat verder ook zij van het betoog van de vreemdeling, kan dit alleen daarom al niet leiden tot een gegrond hoger beroep.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Toonen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2024
936