Rechtspraak
Raad van State
2024-06-10
ECLI:NL:RVS:2024:2367
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
521 tokens
Inleiding
202402349/1/V2.
Datum uitspraak: 10 juni 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 18 maart 2024 in zaak nr. 22/4903 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek van 17 juni 2022.
Bij uitspraak van 18 maart 2024 heeft de rechtbank dat beroep niet-on vtvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. Voor zover de vreemdeling in zijn hogerberoepschrift subsidiair de Afdeling verzoekt om terug te komen op een beslissing in hoger beroep inzake een procedure die hij in 2011 heeft gevoerd, wordt dit verzoek niet in de behandeling van het hoger beroep betrokken. De uitspraak van de rechtbank is ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 dwingend als object van hoger beroep aangewezen.
2. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Laar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2024
987