Rechtspraak
Raad van State
2024-05-29
ECLI:NL:RVS:2024:2215
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,566 tokens
Inleiding
202205576/1/A3.
Datum uitspraak: 29 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 augustus 2022 in zaak nr. 21/1490 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Gennep.
Procesverloop
Bij besluit van 29 december 2020 heeft het college aan [appellant] een last onder bestuursdwang opgelegd.
Bij besluit van 4 maart 2021 heeft het college de kosten voor het toepassen van bestuursdwang van [appellant] teruggevorderd.
Bij besluit van 20 mei 2021 heeft het college het door [appellant] tegen de besluiten van 29 december 2020 en 4 maart 2021 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 augustus 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak gevoegd met de zaken 202205579, 202205591, 202205592 en 202205593 op een zitting behandeld op 11 april 2024, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. P. Tummers en B. Boci, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.
Overwegingen
Inleiding
1. Het college heeft aan [appellant] op 29 december 2020 een last onder bestuursdwang opgelegd, omdat [appellant] een oplegger met kenteken [kenteken] (hierna: de oplegger) langer dan 72 uur had geplaatst op een perceel aan de Randweg, kadastraal bekend gemeente Gennep, sectie D, nummer 2913. Dit is in strijd met artikel 5:6 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Gennep 2020 (hierna: Apv) en artikel 17 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Op 2 februari 2021 hebben verbalisanten geconstateerd dat de oplegger nog niet was verwijderd. Het college heeft daarom bestuursdwang toegepast door de oplegger weg te laten slepen en te bergen. Het college heeft bij besluit van 4 maart 2021 de kosten die het hiervoor heeft gemaakt op [appellant] verhaald.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de last onder bestuursdwang niet is aan te merken als een criminal charge als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van overtreding van artikel 5:6 van de Apv, omdat de oplegger niet voor verkeersdoeleinden wordt gebruikt en langer dan drie achtereenvolgende dagen geplaatst is binnen de bebouwde kom van de gemeente Gennep. Het college was dan ook bevoegd handhavend op te treden op grond van artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en een last onder bestuursdwang op te leggen. Omdat geen sprake is van een onrechtmatig besluit, bestaat voor het college volgens de rechtbank geen verplichting tot het betalen van schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de afwijzing van de schorsingsverzoeken door de voorzieningenrechter geen schending van artikel 13 van het EVRM oplevert. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat het indienen van stukken tot tien dagen voor de zitting niet in strijd is met Europees recht.
Hoger beroep
3. [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Hij heeft zijn standpunten uiteengezet. De Afdeling wijst er op dat uit de artikelen 8:69 en 8:77 van de Awb niet volgt dat zij in haar uitspraak op alle aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. Hoewel de Afdeling alle argumenten heeft bezien, zal zij zich hierna beperken tot de kern van de door [appellant] naar voren gebrachte gronden. Zoals tijdens de zitting besproken, gaat zijn betoog in de kern over vijf onderwerpen: strijd met EU-recht, strijd met artikel 5:6 van de Awb, de prejudiciële procedure, toegankelijkheid Raad van State en schadevergoeding. De Afdeling zal die onderwerpen in deze uitspraak daarom ook zo behandelen bij het beoordelen van het hoger beroep.
Strijd met EU-recht
3.1. [appellant] betoogt dat artikel 5:6 van de Apv en het daarop gebaseerde besluit van 20 mei 2021 in strijd zijn met Europese regelgeving, de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het EVRM. Hij voert hiertoe aan dat het Hof in het arrest van 21 december 2023, ECLI:EU:C:2023:1020, heeft geoordeeld dat een bestuursorgaan met bebording op straat aan moet geven waar opleggers langer dan drie achtereenvolgende dagen geparkeerd mogen worden. Ook volgt uit dit arrest dat een bestuursorgaan de plicht heeft om te voorzien in beveiligde parkeerplaatsen, aldus [appellant].
3.1.1. Artikel 5:6 van de Apv luidt:
1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:
a. Langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben;
b. Op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, het bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.
3.1.2. (…)
3.1.3. Daargelaten nog of [appellant] vervoerdiensten verricht die onder verordening nr. 1072/2009 vallen, heeft het Hof heeft in het arrest van 21 december 2023 beoordeeld of de Deense regelgeving waarbij een maximale parkeerduur van 25 uur op openbare rustplaatsen langs de snelwegen van Denemarken een belemmering vormt van het vrij verrichten van vervoerdiensten. Anders dan [appellant] betoogt kan uit dit arrest niet de conclusie worden getrokken dat het college gehouden is met bebording op straat aan te geven waar opleggers langer dan drie achtereenvolgende dagen geparkeerd mogen worden. Ook volgt niet uit dit arrest dat het college de plicht heeft om te voorzien in beveiligde parkeerplaatsen.
3.2. Ook betoogt [appellant] dat artikel 5:6 van de Apv in strijd is met het Europese non-discriminatiebeginsel.
3.2.1. Het gelijkheidsbeginsel is een algemeen beginsel van Unierecht dat in artikel 20 van het EU-Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is neergelegd en waarvan het non-discriminatiebeginsel, neergelegd in artikel 21, eerste lid, van het EU-Handvest, een bijzondere uitdrukking vormt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof (arrest van 1 maart 2011, Belgische Verbruikersunie Test-Aankoop vzw e.a., ECLI:EU:C:2011:100, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak) vereist dit beginsel dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is. Nog daargelaten of het Unierecht in deze zaak van toepassing is, oordeelt de Afdeling als volgt.
3.2.2. In de toelichting bij artikel 5:6 van de Apv staat het volgende vermeld: "Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van caravans e.d. elders dan op de weg in de zin van de WVW 1994." Het college heeft op de zitting desgevraagd bevestigd dat dit inderdaad het doel is van artikel 5:6 van de Apv.
3.2.3. Artikel 5:6, eerste lid, van de Apv verbiedt ‘een voertuig’ langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben. De bepaling maakt geen onderscheid in het type voertuig en dus geldt de Apv-bepaling voor eenieder. In het tweede lid staat dat het college een ontheffing kan verlenen. Ook dit geldt voor eenieder. Op de zitting is vastgesteld dat [appellant] geen ontheffing heeft. Gelet op het bovenstaande is de Afdeling van oordeel dat artikel 5:6 van de Apv niet in strijd is met het non-discriminatieverbod.
3.2.4. De betogen slagen niet.
Strijd met artikel 5:6 Awb
4. [appellant] betoogt verder dat het college in strijd met artikel 5:6 van de Awb tegelijkertijd verschillende herstelsancties heeft opgelegd voor dezelfde overtreding.
4.1. Op grond van artikel 5:6 van de Awb mag een bestuursorgaan geen herstelsanctie opleggen zolang een andere wegens dezelfde overtreding opgelegde herstelsanctie van kracht is.
4.2. Hoewel de lasten onder bestuursdwang en lasten onder dwangsom in de zaken 202205579, 202205591, 202205592 en 202205593 allemaal zijn opgelegd wegens overtreding van artikel 5:6 van de Apv, zijn de lasten opgelegd voor verschillende opleggers of aanhangwagens, op verschillende locaties en op verschillende momenten. Van strijd met artikel 5:6 van de Awb is daarom geen sprake.
4.3. Het betoog slaagt niet.
Prejudiciële procedure
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen prejudiciële vragen heeft gesteld. Verder verzoekt [appellant] de Afdeling zeer uitdrukkelijk om op grond van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) prejudiciële vragen te stellen.
5.1. De Afdeling stelt voorop dat [appellant] niet heeft geconcretiseerd welke vragen aan het Hof gesteld zouden moeten worden. De Afdeling is verder van oordeel dat er redelijkerwijs geen twijfel is over de uitleg van het Unierecht waar [appellant] een beroep op heeft gedaan.
Conclusie
10. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wordt afgewezen. Ook het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af;
III. wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dijkshoorn
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2024
735-1050