Rechtspraak
Raad van State
2024-05-29
ECLI:NL:RVS:2024:2196
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
617 tokens
Inleiding
202402694/1/V2.
Datum uitspraak: 29 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 25 april 2024 in zaak nr. NL24.3150 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 22 januari 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.
Bij uitspraak van 25 april 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I. Wudka, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de vreemdeling niet heeft aangetoond dat zijn afwezigheid bij de geplande nadere gehoren niet aan hem is toe te rekenen. Onder meer in de rapporten ‘Niet verschijnen voor gehoor’ van 19 oktober 2023 en van 20 december 2023 staat namelijk dat een medewerker van de IND onderzoek heeft verricht en dat daaruit is gebleken dat de vreemdeling voor de geplande nadere gehoren uitnodigingen heeft gekregen van een medewerker ondersteuning. De vreemdeling heeft niet toegelicht waarom de inhoud van de rapporten onjuist is en hij heeft ook geen andere reden gegeven waarom hij niet is verschenen.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Kesteren
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2024
897-1003