Rechtspraak
Raad van State
2024-05-08
ECLI:NL:RVS:2024:1985
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
660 tokens
Inleiding
202305729/1/A2.
Datum uitspraak: 8 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[appellant], wonend te [land],
appellant,
en
Het college van bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam (hierna: het college),
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 8 mei 2024 om 11:00 uur.
Tegenwoordig:
staatsraad mr. E.A. Minderhoud, voorzitter
griffier: mr. M. Rijsdijk
jurist: mr. A.S. Rietveld
Verschenen:
Het college, vertegenwoordigd door mr. M. de Jong-Noordermeer, bijgestaan door mr. R. Bertens, advocaat te Utrecht.
Bij beslissing van 26 april 2023 heeft het college vastgesteld dat aan [appellant] een dwangsom ter hoogte van € 427,00 is verschuldigd vanwege het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen de beslissing van 21 november 2022.
Bij beslissing van 18 juli 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de hoogte van de verbeurde dwangsommen nader vastgesteld op € 450,00.
Het beroep richt zich tegen deze beslissing.
Dictum
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond.
Gronden:
- [appellant] heeft aangevoerd dat het college ten onrechte niet op zijn ingebrekestelling van 11 mei 2023 heeft beslist en het college hem daarom een hogere dwangsom is verschuldigd.
- Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom wanneer een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven. Ingevolge het derde lid is de dwangsom verschuldigd vanaf de dag waarop twee weken zijn verstreken nadat de beslistermijn is verstreken en het bestuursorgaan een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Op grond van artikel 7:14 van de Awb is deze bepaling ook van toepassing op beslissingen op bezwaar.
- Het college heeft op 5 mei 2023 het bezwaar van [appellant] tegen de beslissing van 26 april 2023 ontvangen. [appellant] heeft zes dagen later met zijn e-mail van 11 mei 2023 beoogd een ingebrekestelling te sturen. Deze e-mail is niet aan te merken als een ingebrekestelling. De beslistermijn was nog niet verstreken. Daarmee is de mededeling zoals opgenomen in de e-mail van 11 mei 2023 te vroeg gedaan. Dat betekent dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 4:17, derde lid, van de Awb. Alleen al daarom is geen dwangsom bovenop de reeds toegekende € 450,00 verschuldigd.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
705-1090/1064