Rechtspraak
Raad van State
2024-03-13
ECLI:NL:RVS:2024:1034
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,411 tokens
Inleiding
202207255/1/R2.
Datum uitspraak: 13 maart 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Zwolle,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 4 november 2022 in zaak nr. 21/959 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van gedeputeerde staten van Overijssel.
Procesverloop
Bij besluit van 10 mei 2021 heeft het college de aanvraag van [appellant] voor een vergunning op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (hierna: natuurvergunning) voor het houden van 44 melkkoeien en 10 stuks jongvee afgewezen.
Bij uitspraak van 4 november 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld van 18 december 2023, waar [appellant], bijgestaan door J. Pot, rechtsbijstandverlener in Zwolle, en het college, vertegenwoordigd door H.G. Bos en T. Nicolai, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een natuurvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om een natuurvergunning is ingediend op 2 september 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wet natuurbescherming, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant] heeft een melkveehouderij aan de [locatie 1] in Zwolle (hierna: de melkveehouderij op nr. [locatie 1]).
Oorspronkelijk was de melkveehouderij gevestigd aan de [locatie 2] (hierna: de melkveehouderij op nr. [locatie 2]). Op 5 september 1994 is een vergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting aan de [locatie 2] ten behoeve van een veehouderij en het houden van 45 melkkoeien, 42 stuks jongvee, 3 vleesstieren en 1 geit (hierna: de milieuvergunning).
Op 8 juni 2000 heeft [appellant] de melkveehouderij verplaatst naar de [locatie 1]. Partijen zijn het erover eens dat dit perceel aan de overzijde van de Hasselterdijk ligt, op ongeveer 150 m afstand van de [locatie 2]. Op 8 juni 2000 heeft [appellant] een melding gedaan op grond van het Besluit melkveehouderijen milieubeheer voor het oprichten van een melkrundveehouderij aan de Hasselterdijk (ongenummerd) (hierna: de melding). De melding heeft betrekking op het houden van 44 melkkoeien en 50 stuks jongvee.
3. Op 2 september 2020 heeft [appellant] een natuurvergunning aangevraagd voor het houden van 44 melkkoeien en 10 stuks jongvee op de melkveehouderij op nr. [locatie 1]. Het college heeft deze aanvraag afgewezen.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tegen het besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de referentiedatum 10 juni 1994 is, dat er op die datum geen milieutoestemming gold voor de melkveehouderij van [appellant] en dat er daarom geen sprake is van een referentiesituatie. Het college heeft zich volgens de rechtbank dus terecht op het standpunt gesteld dat de realisatie van het project zal leiden tot een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Daarom kan niet op voorhand worden uitgesloten dat het project zal leiden tot significante, negatieve gevolgen voor deze Natura 2000-gebieden, zo heeft de rechtbank overwogen.
Toetsingskader
5. Artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming luidt als volgt:
"[…]
2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
3. Gedeputeerde staten verlenen een vergunning als bedoeld in het tweede lid uitsluitend indien is voldaan aan artikel 2.8.
[…]."
Hoger beroep
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college zijn aanvraag voor een natuurvergunning terecht heeft afgewezen. Een toename van stikstofdepositie op relevante Natura 2000-gebieden als gevolg van het project is namelijk uitgesloten.
In dit verband is van belang dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de melkveehouderij op nr. [locatie 2] op 10 juni 1994 geen referentiesituatie had, zo stelt [appellant]. Volgens hem had de rechtbank de bestaande situatie op die datum als referentiesituatie moeten aanmerken. Feitelijk was deze melkveehouderij met instemming van het bevoegd gezag namelijk al ver vóór 10 juni 1994 aanwezig. Dat blijkt volgens [appellant] uit verschillende stukken, zoals de bouwvergunning uit 1960 voor de bouw van een landbouwschuur en uit de diertelgegevens van Accountantskantoor Arends van 22 juli 1987. De milieuvergunning, die al op 13 april 1994 voor de bestaande situatie is aangevraagd, was dus niet de eerste toestemming voor de melkveehouderij op nr. [locatie 2]. Daarbij komt dat hij voor die melkveehouderij op 10 juni 1994 niet over een vergunning op grond van de Hinderwet of de Wet milieubeheer kon beschikken. Voor melkveehouderijen bestond onder het regime van de Hinderwet namelijk geen vergunningplicht. Toen vervolgens op 1 maart 1993 de Wet milieubeheer in werking trad, kon aan de melkveehouderij op nr. [locatie 2] gelet op haar locatie nabij een voor verzuring gevoelig gebied en dichtbij een burgerwoning niet direct een vergunning op grond van die wet worden verleend. Dit was pas na de inwerkingtreding van de Interimwet ammoniak en veehouderij op 26 augustus 1994 en de Richtlijn ammoniak en veehouderij 1991 mogelijk. [appellant] wijst er daarnaast nog op dat het in de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL9656, waarnaar het college verwijst, ging om een bedrijf waarvoor, anders dan voor zijn bedrijf, wel een vergunningplicht op grond van de Hinderwet gold en dat de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2449, overweging 6.1, ruimte biedt om de referentiesituatie vast te stellen aan de hand van het aantal gehouden dieren op de referentiedatum.
Verder betoogt [appellant] dat het aantal stuks jongvee volgens de aanvraag met 40 stuks zal afnemen ten opzichte van de huidige situatie op basis van de melding, die zonder problemen kan worden voortgezet. De referentiedatum van 10 juni 1994 is in dit geval niet relevant, omdat de huidige situatie volledig in de landelijke berekeningen wordt meegenomen. De aangevraagde situatie zal daarom in vergelijking met de huidige situatie juist tot minder stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden leiden.
Tot slot had het college gelet op de motie Bisschop moeten zoeken naar een oplossing om de natuurvergunning wel te verlenen. Anders dan het college aangeeft, heeft deze motie een veel groter bereik dan alleen maar het legaliseren van de PAS-melders, zo betoogt [appellant].
7. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat voor de vraag of de wijziging of uitbreiding van een bestaand project significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, een vergelijking wordt gemaakt van de gevolgen van het bestaande project in de referentiesituatie en de gevolgen van het project na wijziging of uitbreiding. De referentiesituatie wordt bij het ontbreken van een natuurvergunning ontleend aan de milieutoestemming die gold op de referentiedatum. Onder het verlenen van een milieutoestemming moet in een geval als dit de vergunning of de melding op basis van de Wet milieubeheer of de daaraan voorafgaande Hinderwet worden verstaan. Wanneer daarna een toestemming is verleend voor een activiteit met minder gevolgen voor Natura 2000-gebieden dan de op de referentiedatum toegestane activiteit, dan geldt die latere toestemming als referentiesituatie.
Als de wijziging of uitbreiding van een bestaand project niet leidt tot een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie, dan is volgens de rechtspraak van de Afdeling op grond van objectieve gegevens uitgesloten dat die wijziging of uitbreiding significante gevolgen heeft (vergelijk de uitspraak van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1891).
8. Voor het bedrijf van [appellant] is niet eerder een natuurvergunning verleend. Daarom is in dit geval relevant of de aangevraagde situatie leidt tot een toe- of afname van emissie en depositie ten opzichte van de situatie waarvoor op de relevante referentiedatum een milieutoestemming is verleend.
Uit de berekening met AERIUS Calculator van 24 februari 2021 volgt dat de aangevraagde situatie stikstofdepositie tot gevolg zal hebben op verschillende Natura 2000-gebieden, waaronder de Weerribben, de Engbertsdijksvenen en het Bargerveen.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.E.H.J. Vollaers, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vollaers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2024
880