Rechtspraak
Raad van State
2023-12-20
ECLI:NL:RVS:2023:4742
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
673 tokens
Inleiding
202306773/1/V3.
Datum uitspraak: 20 december 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 oktober 2023 in zaak nr. NL23.32007 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 4 oktober 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling de toegang tot Nederland geweigerd en haar een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 26 oktober 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. V. Senczuk, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling klaagt in haar eerste grief weliswaar terecht dat de staatssecretaris de rechtbank er niet van op de hoogte heeft gesteld dat de grensdetentie op 18 oktober 2023 is opgeheven, omdat er geen zicht op uitzetting was, maar dit leidt er niet toe dat de grensdetentie van aanvang af onrechtmatig was. De vreemdeling had namelijk in haar beroepsgronden niet aangevoerd dat er geen zicht op uitzetting bestond en de rechtbank heeft verder ambtshalve toetsend geen reden gezien om de grensdetentie onrechtmatig te achten. In hoger beroep heeft de vreemdeling ook niet toegelicht waarom er volgens hem eerder dan op 18 oktober 2023 geen zicht op uitzetting meer bestond. De grief faalt.
2. Wat de vreemdeling in zijn tweede grief naar voren heeft gebracht leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2023
47