Rechtspraak
Raad van State
2023-12-04
ECLI:NL:RVS:2023:4475
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,025 tokens
Inleiding
202201965/1/V2.
Datum uitspraak: 4 december 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 3 maart 2022 in zaak nr. 21/5930 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 3 februari 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 14 september 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 maart 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.S. van Aken, advocaat te Zierikzee, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. De vreemdeling klaagt in zijn derde grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris de aanvraag en het bezwaar terecht niet heeft getoetst aan artikel 8 van het EVRM. De staatssecretaris heeft namelijk de bevoegdheid om een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM ambtshalve te verlenen (artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb 2000). Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld, moet de staatssecretaris, als een vreemdeling impliciet of expliciet een beroep doet op artikel 8 van het EVRM, deugdelijk motiveren waarom hij geen gebruik maakt van deze bevoegdheid (zie de uitspraak van 20 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:187, onder 2.1-2.3). Dat heeft de staatssecretaris in dit geval niet gedaan. Hij heeft zich slechts op het standpunt gesteld dat de vreemdeling geen geslaagd beroep op artikel 8 van het EVRM kan doen, omdat dat beroep nooit kan leiden tot de afgifte van het document waar de vreemdeling om heeft verzocht. De grief slaagt.
2. Wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 14 september 2021 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet een nieuw besluit op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de staatssecretaris dat niet te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 3 maart 2022 in zaak nr. 21/5930;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 14 september 2021, V-[…];
V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.511,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Zwinkels
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2023
309-1047