Rechtspraak
Raad van State
2023-08-31
ECLI:NL:RVS:2023:3341
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
784 tokens
Inleiding
201908576/3/V1.
Datum uitspraak: 31 augustus 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het verzoek van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep.
Procesverloop
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 21 november 2019 in zaak nr. NL19.18017.
Bij verwijzingsuitspraak van 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1124, heeft de Afdeling in onder meer deze zaak het Hof van Justitie verzocht om in een prejudiciële beslissing uitspraak te doen over een door haar gestelde vraag over de uitleg van de Dublinverordening.
Voor het eerdere procesverloop verwijst de Afdeling naar de verwijzingsuitspraak.
Bij arrest van 30 maart 2023, S.S., N.Z. en S.S., ECLI:EU:C:2023:269, heeft het Hof de door de Afdeling gestelde vraag beantwoord.
Hierop hebben de staatssecretaris en de vreemdeling op verzoek van de Afdeling zienswijzen naar voren gebracht.
De staatssecretaris heeft het hoger beroep ingetrokken.
De vreemdeling heeft de Afdeling verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:118, eerste lid, van de Awb kan, in geval van intrekking van het hoger beroep door een bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld.
2. De staatssecretaris heeft het hoger beroep ingetrokken, nadat de vreemdeling kosten heeft gemaakt voor de schriftelijke uiteenzetting, de schriftelijke reactie van 2 november 2020, het bijwonen van de zitting bij de Afdeling, de zienswijze op het concept van de prejudiciële vraag, de schriftelijke opmerkingen bij het Hof, het verschijnen bij de mondelinge behandeling bij het Hof en de zienswijze op het arrest. Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking. Voor het toekennen van wegingsfactor 2 bestaat geen aanleiding. De Afdeling ziet evenmin aanleiding voor het toekennen van afzonderlijke reis- en verblijfskosten. De reis- en verblijfskosten die een rechtsbijstandverlener heeft gemaakt, zijn al verdisconteerd in de forfaitaire vergoeding, die op grond van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht is berekend.
3. Het verzoek moet op na te melden wijze worden toegewezen.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 6.277,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
w.g. Steendijk
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Mercelina
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2023
938