Rechtspraak
Raad van State
2023-07-17
ECLI:NL:RVS:2023:2748
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
652 tokens
Inleiding
202200370/1/V2.
Datum uitspraak: 17 juli 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 22 december 2021 in zaak nr. 20/8147 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 15 november 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 15 oktober 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 december 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.S. Jordan, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. De door de vreemdeling ingediende nadere stukken dateren deels van na de uitspraak van de rechtbank. Een ander deel van de stukken dateert van voor de uitspraak van de rechtbank en de vreemdeling geeft geen verklaring waarom hij die stukken niet reeds in beroep heeft kunnen overleggen. De stukken kunnen daarom niet bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken (zie ter vergelijking de Afdelingsuitspraken van 17 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:145, onder 1, en van 13 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:980, onder 1). Als de vreemdeling de stukken bij de besluitvorming wil laten betrekken, kan hij een nieuwe aanvraag indienen.
2. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bossmann
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2023
314-1021