Rechtspraak
Raad van State
2023-06-27
ECLI:NL:RVS:2023:2536
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Mondelinge uitspraak
661 tokens
=== VOLLEDIG ===
202205328/1/R2.
Datum uitspraak: 27 juni 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Heusden, gemeente Asten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 juli 2022 in zaak nr. 21/2654 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Asten.
Openbare zitting gehouden op 27 juni 2023 om 16:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. M. Scheele
jurist: mr. E.J. Oude Nijhuis
Verschenen:
[appellant];
het college, vertegenwoordigd door T.A.C.I. Luijben en D.J.P. Daems;
[partij], vergunninghouder, vertegenwoordigd door [gemachtigden].
Bij besluit van 25 oktober 2021 heeft het college van de gemeente Asten een omgevingsvergunning verleend aan [partij] voor het bouwen van een rundveestal aan de [locatie] te Heusden.
Bij uitspraak van 13 juli 2022 heeft de rechtbank bepaald dat [appellant] geen belanghebbende is bij die omgevingsvergunning en het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 13 juli 2022 van de rechtbank Oost-Brabant.
De Afdeling
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Redenen voor dit oordeel:
De rechtbank heeft [appellant] terecht als niet-belanghebbende aangemerkt. Hij woont op ongeveer 1 km afstand van de veehouderij van [partij] en heeft geen zienswijze ingediend. Uit de uitspraak van de Afdeling (van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786) over het Varkens in Nood-arrest (van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:7) kan niet worden afgeleid dat een niet belanghebbende die geen zienswijze heeft ingediend toch ontvankelijk zou zijn.
Voor zover [appellant] hier namens zijn bedrijf kan spreken is van belang dat de kortste afstand tussen de [locatie] en de betreffende agrarische percelen van het bedrijf ongeveer 500 meter is, en dat op de zitting is komen vast te staan dat vanuit die agrarische percelen geen zicht is op het perceel [locatie]. Louter het feit dat [appellant] concurrent zou kunnen zijn op dezelfde vergunningenmarkt als [partij], levert in dit geval geen belang op.
Ook overigens heeft hij geen gronden naar voren gebracht die maken dat de rechtbank een onjuiste beslissing heeft genomen.
Het hoger beroep is ongegrond.
Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Scheele
griffier
723-1045