Rechtspraak
Raad van State
2022-11-30
ECLI:NL:RVS:2022:3493
Bestuursrecht, Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
4,381 tokens
Inleiding
202105930/1/V6.
Datum uitspraak: 30 november 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 juli 2021 in zaak nr. 20/2865 in het geding tussen:
[appellant]
en
de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank.
Procesverloop
Bij besluiten van 20 september 2019 heeft de raad van bestuur de remigratievoorzieningen die krachtens de Remigratiewet aan [appellant] zijn toegekend, ingetrokken en een bedrag van € 9.749,74 van hem teruggevorderd.
Bij besluit van 21 februari 2020 heeft de raad van bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 juli 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 februari 2020 vernietigd voor zover dit gaat over de hoogte van de terugvordering, het besluit van 20 september 2019 herroepen voor zover daarbij de terugvordering is vastgesteld op € 9.749,74, de hoogte van de terugvordering bepaald op € 7.299,30 en bepaald dat de uitspraak in de plaatst treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De raad van bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2022, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.V. Hendriksen, advocaat te Den Haag, en de raad van bestuur, vertegenwoordigd door drs. W. van den Berg, zijn verschenen. Verder is L. Topaltzikis als tolk verschenen.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader en het beleidskader zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
2. Bij besluit van 30 mei 2018 heeft de raad van bestuur aan [appellant] op grond van de Remigratiewet voorzieningen toegekend voor een gehuwde met kind van 12 tot 18 jaar. Op de vertrekkaart van 24 juni 2018 heeft [appellant] verklaard op 29 november 2018 te vertrekken naar het zogeheten bestemmingsland Griekenland. Op 19 juni 2019 ontving de raad van bestuur een bericht van 18 maart 2019 van het Bürgerbüro Bremerhaven dat [appellant] sinds 16 maart 2019 in Duitsland woont. De raad van bestuur heeft vervolgens [appellant] gevraagd naar zijn feitelijke woonplaats. Op 6 september 2019 heeft [appellant] verklaard sinds november 2018 een maand in Griekenland te hebben verbleven. Hiernaast heeft hij verklaard dat hij sinds ongeveer eind december 2018 in Duitsland woont.
De reden voor de besluitvorming waarover het in deze zaak gaat, is dat [appellant] zijn hoofdverblijf niet in Griekenland heeft gevestigd.
3. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] gegrond verklaard, omdat hij terecht een beroep doet op het vertrouwensbeginsel. Een medewerker van de raad van bestuur heeft namelijk op 17 mei 2019 aan [appellant] meegedeeld dat een verhuizing naar Duitsland geen gevolgen zou hebben voor de remigratievoorzieningen. Maar [appellant] woonde op 17 mei 2019 al in Duitsland, waardoor dit naar het oordeel van de rechtbank betekent dat het gewekte vertrouwen alleen van invloed kan zijn op de terugvordering voor de maanden na mei 2019. Voor de maanden juni, juli, augustus en september 2019 is een bedrag van € 2.450,44 aan remigratievoorzieningen uitgekeerd, waarna de raad van bestuur bij besluit van 20 september 2019 de remigratievoorzieningen heeft ingetrokken. De rechtbank past tegen die achtergrond het bedrag van de terugvordering aan tot in totaal € 7.299,30, namelijk het bedrag aan uitgekeerde remigratievoorzieningen tot en met mei 2019. De rechtbank oordeelt hiernaast dat het beroep van [appellant] op dringende redenen om van de gehele intrekking en terugvordering van de remigratievoorzieningen af te zien onvoldoende is onderbouwd en ook niet van dergelijke redenen is gebleken.
De raad van bestuur is niet opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank, dat de terugvordering vanwege een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet worden verminderd met een bedrag van € 2.450,44 voor de maanden juni, juli, augustus en september 2019.
4. [appellant] betoogt dat hij zich wel degelijk in Griekenland wilde vestigen, maar door de gezondheid van zijn vrouw, het niet hebben van werk en het hebben van familie in Duitsland is verhuisd naar Duitsland. Binnen die familie in Duitsland was er een ernstig zieke schoonzoon. Volgens [appellant] heeft hij niet in strijd gehandeld met de Remigratiewet. Zodra de situatie zich voordeed is hij op 17 mei 2019 naar de raad van bestuur gegaan.
4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen verwijst artikel 6 van de Remigratiewet, zoals deze luidde tot 1 juli 2014, naar de artikelen 3 en 4 van die wet, waarin is bepaald dat basisvoorzieningen worden verstrekt voor de kosten van vervoer naar en vestiging en verblijf in het bestemmingsland. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 2 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4560, en 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1715. Uit de memorie van toelichting bij de artikelen 3, 4 en 6 van de Remigratiewet (Kamerstukken II 1997/98, 25 741, nr. 3, blz. 14-16), volgt dat de in de artikelen 3 en 4 bedoelde vereisten gaan over het verstrekken en over het blijven verstrekken en ontvangen van de voorzieningen en dat in het kader van artikel 6 wordt gecontroleerd of aan die vereisten is voldaan na toekenning daarvan. Hieruit volgt dat niet alleen ten tijde van de aanvraag moet zijn voldaan aan de hiervoor bedoelde vereisten, maar ook daarna. Alleen een intentie om je ergens te vestigen is niet voldoende.
4.2. Op 6 september 2019 heeft [appellant] verklaard sinds november 2018 een maand in Griekenland te hebben verbleven en eind december 2018 naar Duitsland te zijn vertrokken. Sinds 16 maart 2019 staat hij als inwoner ingeschreven in Duitsland. [appellant] heeft in Griekenland geen voorzieningen of verzekeringen aangevraagd. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het verblijf van [appellant] in Griekenland van korte duur was en een voorlopig karakter had. [appellant] kan niet worden aangemerkt als een remigrant als bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de Remigratiewet, omdat hij zich niet daadwerkelijk in zijn bestemmingsland heeft gevestigd.
Het betoog faalt.
5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte het bedrag van de terugvordering op € 7.299,30 heeft vastgesteld. Hij kreeg op 17 mei 2019 van een medewerker van de Sociale Verzekeringsbank te horen dat een verhuizing naar Duitsland geen gevolgen heeft voor de remigratievoorzieningen, dus op basis van het vertrouwensbeginsel kan hij aanspraak maken op remigratievoorzieningen in Duitsland. De rechtbank had volgens [appellant] het bedrag van de terugvordering verder naar beneden moeten bijstellen en moeten bepalen dat wordt afgezien van intrekking van de remigratievoorzieningen. Vanwege dringende redenen en de hardheidsclausule had van terugvordering van ook het hele resterende bedrag van € 7.299,30 moeten worden afgezien, aldus [appellant].
5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het gewekte vertrouwen alleen invloed kon hebben op de maanden na mei 2019. Voor de daaraan voorafgaande periode heeft [appellant] geen aanknopingspunten aangedragen op grond waarvan hij erop mocht vertrouwen dat zijn verhuizing naar Duitsland geen invloed zou hebben op de remigratievoorzieningen. De rechtbank heeft dus terecht overwogen dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen voor de intrekking van de remigratievoorzieningen en terugvordering van het resterende bedrag van € 7.299,30.
6. Het gaat hierna daarom alleen nog om de vraag of mede gelet op het geslaagde beroep bij de rechtbank op het vertrouwensbeginsel er dringende redenen aanwezig zijn voor de raad van bestuur om af te zien van de intrekking van de remigratievoorzieningen over de periode na september 2019. En over de vraag of er dringende redenen aanwezig zijn om af te zien van de terugvordering van het bedrag van € 7.299,30.
6.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad van bestuur zich terecht op het standpunt gesteld dat het geslaagde beroep op het vertrouwensbeginsel geen dringende reden is om af te zien van de intrekking van de remigratievoorzieningen over de periode na september 2019. De toezegging van 17 mei 2019 is voor [appellant] namelijk niet in wezenlijke mate gedragsbepalend geweest voor de keuze om naar Duitsland te verhuizen. [appellant] is immers al voor de toezegging naar Duitsland verhuisd. Ook is niet gebleken dat hij door de toezegging schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden. Hij heeft immers toegelicht dat hij vanwege de gezondheid van zijn vrouw, het niet hebben van werk en het hebben van familie in Duitsland is verhuisd naar Duitsland. Verder wijst de raad van bestuur er terecht op dat [appellant] heeft nagelaten aan de raad van bestuur te melden dat hij naar Duitsland was verhuisd, terwijl hij bij de toekenning van de remigratievoorzieningen erop is gewezen dat hij een verhuizing naar een ander land binnen zes weken moet doorgeven aan de raad van bestuur. Zeker na de besluiten van 20 september 2019 moet het voor [appellant] duidelijk zijn geweest dat hij geen recht had op remigratievoorzieningen.
Er is dus geen sprake van een situatie waarin de uitkeringsgerechtigde al zijn verplichtingen is nagekomen of van een situatie waarin vanwege een wijziging van omstandigheden de intrekking van de remigratievoorzieningen door een fout van de raad van bestuur niet tijdig heeft plaatsgevonden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. G. Kamminga, griffier.
w.g. Verburg
voorzitter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2022
876
BIJLAGE
Remigratiewet, zoals deze luidde tot 1 juli 2014
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…]
c. remigreren: het zich buiten het Koninkrijk, in het land van herkomst vestigen;
d. land van herkomst: land waar de remigrant of een van zijn ouders is geboren of land waarvan de remigrant of een van zijn ouders de nationaliteit bezit of heeft bezeten;
e. bestemmingsland: land waarin een remigrant zich gaat vestigen;
f. remigrant: een persoon, bedoeld in artikel 2, die met de toepassing van deze wet voornemens is zijn rechtmatig hoofdverblijf in Nederland op te geven om te remigreren, dan wel is geremigreerd en sindsdien in een bestemmingsland is gevestigd;
[…]
Artikel 3
1. Aan een remigrant die niet over voldoende middelen beschikt om zelfstandig te kunnen remigreren, worden onder bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, de volgende basisvoorzieningen verstrekt:
a. een vergoeding van de kosten van vervoer van de remigrant en van zijn partner en hun kinderen die tezamen met de remigrant vertrekken naar het bestemmingsland, tot de plaats van bestemming;
b. een tegemoetkoming in de kosten van hervestiging in het bestemmingsland.
[…]
Artikel 4
1. Aan een remigrant die niet over voldoende middelen beschikt om zelfstandig te kunnen remigreren, onder bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, wordt een periodieke uitkering verstrekt ter voorziening in de noodzakelijke kosten van bestaan in het bestemmingsland.
[…]
Artikel 6
Indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden bedoeld in de artikelen 3 en 4, wordt het recht op de voorzieningen bedoeld in die artikelen beëindigd, […] en de op grond daarvan reeds betaalde bedragen geheel of gedeeltelijk teruggevorderd, voor zover dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald.
Remigratiebesluit
Artikel 17
1. De artikelen 10, eerste lid, onderdeel b, 12, vierde en vijfde lid, 13, eerste en vierde lid, en 15, eerste en vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet, en artikel 13 van het Besluit voorzieningen Remigratiewet, zoals die luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepassing op personen die voor dat tijdstip zijn geremigreerd en basisvoorzieningen hebben ontvangen of een aanvraag tot toekenning van die basisvoorzieningen bij de Sociale verzekeringsbank hebben ingediend. Onder basisvoorzieningen worden verstaan de voorzieningen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.
Uitvoeringsbesluit Remigratiewet, zoals deze luidde tot 1 juli 2014
Artikel 13
1. Onverminderd het elders bij of krachtens de wet bepaalde inzake wijziging of intrekking van een besluit tot toekenning van de basisvoorzieningen dan wel de remigratievoorzieningen, wijzigt de SVB een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
[…];
b. indien anderszins de basisvoorzieningen dan wel de remigratievoorzieningen ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld;
[…].
Artikel 15
1. De basisvoorzieningen en de remigratievoorzieningen die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 13, eerste of tweede lid, onverschuldigd zijn betaald, alsmede alle bedragen die anderszins op grond van deze wet onverschuldigd zijn betaald, worden door de SVB van de remigrant respectievelijk zijn partner teruggevorderd.
[…]
SVB Beleidsregels, zoals die golden ten tijde van de besluitvorming
Verlaging of intrekking met terugwerkende kracht wegens wijziging van de omstandigheden (SB1078)
Het kan voorkomen dat een verlaging of intrekking van een uitkering wegens wijziging van de omstandigheden niet tijdig plaatsvindt omdat de SVB niet tijdig van de wijziging op de hoogte was of omdat zij een wijziging waarvan zij wel tijdig op de hoogte was niet heeft verwerkt. De SVB is dan op grond van artikel 17a, eerste lid AOW, artikel 34, eerste lid Anw, artikel 14a, eerste lid AKW, artikel 16, tweede lid OBR en artikel 6c, eerste lid Remigratiewet verplicht de toekenningsbeschikking te herzien of in te trekken. […]
De SVB kan geheel of gedeeltelijk afzien van herziening of intrekking indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn (artikel 17a, tweede lid AOW, artikel 34, tweede lid Anw, artikel 14a, tweede lid AKW, artikel 16, tweede lid OBR en artikel 6c, derde lid Remigratiewet). […]
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van dringende redenen spelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een rol, zoals het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. De SVB hanteert in dit verband de volgende beleidsregels.
De SVB gaat niet tot herziening met volledig terugwerkende kracht over als de uitkeringsgerechtigde al zijn verplichtingen is nagekomen, en hij voorts niet heeft kunnen begrijpen dat de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verleend. In een dergelijk geval herziet de SVB de uitkering in beginsel zonder terugwerkende kracht. Deze regel vloeit wat betreft remigratievoorzieningen direct voort uit artikel 6c, vierde lid Remigratiewet. Het kan voorkomen dat de uitkeringsgerechtigde hierdoor een niet te rechtvaardigen voordeel geniet. In die situatie beperkt de SVB de herziening tot het bedrag van het voordeel dat de betrokkene heeft genoten.
Is het niet tijdig herzien van de uitkering een gevolg van een fout van de SVB, maar heeft de betrokkene deze fout kunnen onderkennen, dan vindt herziening of intrekking in beginsel plaats met volledig terugwerkende kracht.
Bij de beantwoording van de vraag of de betrokkene heeft kunnen onderkennen dat hij te veel ontving hanteert de SVB de volgende stelregels:
• Bij de beoordeling of de betrokkene kon onderkennen dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verleend past de SVB het beleid in SB1071 over bijzonder geval mutatis mutandis toe.
• Bij toekenning van een uitkering deelt de SVB aan betrokkene mee welke wijzigingen hij spontaan aan de SVB moet melden. Hiertoe verwijst de SVB in de toekenningsbeschikking naar het overzicht van te melden wijzigingen op de website van de SVB. Als deze mededeling heeft plaatsgevonden gaat de SVB ervan uit dat het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat deze feiten en omstandigheden van invloed konden zijn op de uitkering.
Terugvordering van uitkeringen (SB1114)
De SVB is op grond van artikel 24 AOW, artikel 53 Anw, artikel 24 AKW, artikel 22, eerste lid OBR en artikel 6e Remigratiewet verplicht onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. […]
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, is de SVB bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering (artikel 24, vijfde lid AOW, artikel 53, vijfde lid Anw, artikel 24, vijfde lid AKW, artikel 58, achtste lid Participatiewet en artikel 6e, derde lid Remigratiewet). Het gebruik van deze bevoegdheid komt slechts aan de orde voor zover de SVB niet reeds in verband met deze zelfde dringende redenen geheel of gedeeltelijk heeft afgezien van intrekking van de uitkering dan wel voorziening, of herziening daarvan ten nadele van de belanghebbende (zie voor het gebruik van deze laatste bevoegdheid SB1078 over verlaging of intrekking met terugwerkende kracht wegens wijziging van de omstandigheden.