Rechtspraak Raad van State 2022-01-25
ECLI:NL:RVS:2022:278
Bestuursrecht
Inleiding
202200040/1/R1. Datum uitspraak: 25 januari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoeker], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder. Openbare zitting gehouden op 25 januari 2022 om 12:00 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter griffier: mr. Y.C. Visser Verschenen: [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. T.I.P. Jeltema, advocaat te Veldhoven; het college, vertegenwoordigd door mr. M.F.M. van Lent en drs. N.A. Veldhoen en, via een videoverbinding, J. Bijlmer.
=
= Bij besluit van 11 november 2021, kenmerk Z.208114/D.837211, heeft het college aan [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 39a van de Wet bodembescherming. [verzoeker] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 december 2021, kenmerk Z.208114/D.853146, heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 1 februari 2022. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter I. wijst het verzoek toe; II. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 11 november 2021, kenmerk Z.208114/D.837211, en 8 december 2021, kenmerk Z.208114/D.853146, tot zes weken na het te nemen besluit op bezwaar; III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.518,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 vergoedt. Gronden: Ter zitting is vastgesteld dat [verzoeker] niet degene is die het saneringsplan voor I[locatie] in Bladel heeft ingediend. [verzoeker] heeft verder onbetwist gesteld dat hij ook niet degene is die de sanering feitelijk uitvoerde of uitvoert. Aan het besluit van 11 november 2021 is daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ten onrechte overtreding van artikel 39a van de Wet bodembescherming ten grondslag gelegd. De voorzieningenrechter verwacht niet dat dit besluit in bezwaar in stand zal kunnen blijven. Het college moet de proceskosten vergoeden. De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. 148